Eiseres, van Hondurese nationaliteit, verblijft al circa tien jaar in Nederland zonder geldige verblijfsvergunning. Zij woont samen met een partner van Colombiaanse nationaliteit en heeft een dochter met hem, die de Hondurese en/of Colombiaanse nationaliteit bezit. Verweerder legde een terugkeerbesluit op omdat eiseres geen rechtmatig verblijf had en onvoldoende middelen van bestaan beschikte.
Eiseres voerde aan dat het terugkeerbesluit niet voldeed aan de wettelijke vereisten, onder meer omdat zij niet goed was geïnformeerd over de gevolgen en onvoldoende gelegenheid had gekregen haar zienswijze te geven. Ook stelde zij dat het besluit op oneigenlijke gronden was gebaseerd, aangezien zij na het besluit een aanvraag voor een verblijfsvergunning had ingediend en haar partner over voldoende middelen beschikt. Daarnaast stelde zij dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar de situatie in Honduras en onvoldoende rekening had gehouden met het belang van haar minderjarige dochter.
De rechtbank oordeelde dat eiseres wel degelijk was geïnformeerd over de gevolgen en voldoende gelegenheid had gekregen haar zienswijze te geven. Het terugkeerbesluit was niet op oneigenlijke gronden genomen, omdat de aanvraag voor een verblijfsvergunning pas na het besluit was ingediend. Verder was nader onderzoek naar de situatie in Honduras niet noodzakelijk, omdat eiseres geen vrees voor onmenselijke behandeling had geuit.
Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder ten onrechte onvoldoende rekening had gehouden met het belang van het kind, zoals vereist op grond van het Handvest van de Grondrechten van de EU en de Terugkeerrichtlijn. Ook had verweerder onvoldoende onderzoek gedaan naar het bestaan van het kind en de partner. Daarom werd het terugkeerbesluit vernietigd. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiseres.