ECLI:NL:RBDHA:2023:21262
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen afwijzing verzoek opheffing inreisverbod wegens actuele bedreiging openbare orde
Eiser verzocht op 30 december 2022 om opheffing van een inreisverbod dat op 22 oktober 2016 aan hem was opgelegd. De staatssecretaris wees dit verzoek af, stellende dat eiser nog steeds een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Eiser betoogde dat er geen belangenafweging had plaatsgevonden op grond van artikel 8 EVRM Pro, dat het BMA-advies had moeten worden meegewogen en dat hij geen ernstige bedreiging meer vormde vanwege een positieve gedragsverandering.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat het inreisverbod terecht bleef gehandhaafd. De eerdere veroordelingen van eiser, waaronder een gevangenisstraf in 2018 voor een opiumdelict, en het hoge recidiverisico van de reclassering ondersteunen dit oordeel. De vermeende positieve gedragsverandering was onvoldoende onderbouwd en verweerder hoefde geen belangenafweging te maken op grond van artikel 8 EVRM Pro omdat eiser zijn privéleven in Nederland niet had onderbouwd.
Ook werd geoordeeld dat verweerder terecht het BMA-advies en de uitkomst van de procedure over uitstel van vertrek niet hoefde af te wachten, aangezien uitstel van vertrek niet gelijkstaat aan een duurzaam verbod op uitzetting op grond van artikel 3 EVRM Pro. De beroepsgrond dat eiser ten onrechte niet was gehoord werd door eiser ingetrokken. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitspraak in het beroep was gedaan en er geen connexiteit meer bestond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het inreisverbod blijft van kracht. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod is ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht.