Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op 30 juli 2022. Verweerder heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden beslist, die door een besluit is verlengd tot 30 oktober 2023. Eiser stelde verweerder op 1 november 2023 in gebreke en diende vervolgens beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. De rechtbank legt een termijn op waarin verweerder binnen acht weken na verzending van de uitspraak een eerste gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna het besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €7.500 voor het overschrijden van deze termijn.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €209,25, omdat eiser een professionele gemachtigde heeft ingeschakeld. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en bepaalt dat verweerder binnen de gestelde termijn alsnog een besluit moet nemen.