Eiser diende op 3 april 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder moest binnen zes maanden beslissen, maar door een verlenging van de beslistermijn tot 3 juli 2023 werd dit uitgesteld. Eiser stelde verweerder na het verstrijken van deze termijn schriftelijk in gebreke en stelde vervolgens beroep in wegens het uitblijven van een beslissing.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. Hoewel sinds 11 juli 2021 een Tijdelijke wet geldt die het opleggen van bestuurlijke dwangsommen bij asielaanvragen uitsluit, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat deze wet onverbindend is voor de bestuursrechter. Daarom legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag, met een maximum van €7.500, indien verweerder niet binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog beslist.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €418,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Verra en griffier N. Khalloufi op 22 augustus 2023.