Eiseres, van Congolese afkomst, diende een asielaanvraag in die werd afgewezen omdat verweerder uitging van haar Angolese nationaliteit op basis van een Duits visum met een Angolees paspoort. Eiseres kon niet overtuigend aantonen dat deze registratie onjuist was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet onzorgvuldig had gehandeld tijdens het nader gehoor en dat eiseres voldoende gelegenheid had gekregen haar verhaal toe te lichten. De gestelde bedreigingen en problemen met een persoon in verband met orgaanhandel werden door verweerder als ongeloofwaardig beoordeeld vanwege inconsistenties en gebrek aan bewijs.
Verweerder wees ook op het gebruik van een vals identiteitsbewijs door eiseres bij binnenkomst in Nederland, wat de aanvraag als kennelijk ongegrond rechtvaardigde. De rechtbank volgde dit oordeel en bevestigde dat eiseres terecht werd geacht terug te keren naar Angola, aangezien zij onvoldoende had onderbouwd waarom dit niet mogelijk zou zijn.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af, en de rechtbank veroordeelde eiseres niet tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak kan binnen een week worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.