ECLI:NL:RBDHA:2023:21650
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende motivering en integrale beoordeling
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij zijn broer. De aanvraag was door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen, waarna bezwaar en beroep volgden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had eerder geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat eiser zijn identiteit niet aannemelijk had gemaakt, mede omdat verweerder de bewijswaarde van UNHCR-documenten onvoldoende had meegewogen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de identiteit van eiser en de familierechtelijke relatie niet aannemelijk zijn gemaakt. De doopakte, die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is, mag niet zonder meer als contra-indicatie worden gebruikt zonder bewijs van valsheid of vervalsing. Tevens heeft verweerder nagelaten eiser te horen, terwijl dit meer duidelijkheid had kunnen verschaffen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van een integrale beoordeling, waarbij eiser moet worden gehoord. Tevens moet verweerder het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden. De rechtbank wijst op de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met een integrale beoordeling en hoorplicht.