ECLI:NL:RBDHA:2023:21733

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 september 2023
Publicatiedatum
1 februari 2024
Zaaknummer
AWB 23/183
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 1 RvaArtikel 3, tweede lid, RvaArtikel 3, derde lid, RvaArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag opvang COA wegens niet-vallen onder opvangplicht en geen acute medische noodsituatie

Eiseres, van Armeense nationaliteit, diende een verzoek in bij het COA voor opvang nadat zij een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder niet-tijdelijke humanitaire gronden had verkregen. Het COA wees dit verzoek af omdat zij niet viel onder de categorieën die recht hebben op opvang volgens de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva). De rechtbank behandelde het beroep op 2 juni 2023 en concludeerde dat het COA terecht de opvangaanvraag had afgewezen.

Eiseres stelde dat de weigering onevenredige gevolgen had, omdat zij door het ontbreken van opvang dakloos zou worden en dat zij onterecht uit de opvang was gezet. De rechtbank oordeelde echter dat de COA-taakstelling beperkt is tot asielzoekers en gelijkgestelde vreemdelingen en dat een reguliere verblijfsvergunning geen recht op opvang geeft. Ook ontbrak het aan een acute medische noodsituatie die een uitzondering zou kunnen rechtvaardigen.

De rechtbank verwees naar eerdere jurisprudentie en de toelichting op de Rva, waarin is bepaald dat personen zoals eiseres geen aanspraak kunnen maken op opvang. De afwijzing werd niet als onevenredig beoordeeld, mede omdat eiseres al ruim acht jaar niet in COA-opvang verbleef. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat het COA niet verplicht is opvang te verlenen aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 23/183
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2023 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] 1995, van Armeense nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COA

(gemachtigde: mr. E. de Jong).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om opvang.
1.1.
Het COA heeft deze aanvraag met het besluit van 9 december 2022 afgewezen.
1.2.
Het COA heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het COA.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze zaak de afwijzing van de aanvraag van eiseres om opvang. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Op 25 februari 2019 is ten behoeve van eiseres een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden, op grond van de ‘Afsluitregeling langdurig verblijvende kinderen’. Deze aanvraag is bij besluit van 17 oktober 2019 afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 maart 2020 ongegrond verklaard. Na gegrondverklaring van het daartegen gerichte beroep [1] , is het bezwaar bij besluit van 30 mei 2022 opnieuw ongegrond verklaard, maar eiseres wordt in datzelfde besluit ambtshalve in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De vergunning is verleend onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ voor het in Nederland uitoefenen van privéleven conform artikel 8 van Pro het EVRM [2] . Eiseres heeft vervolgens op 22 november 2022 bij het COA een verzoek om opvang ingediend.
5. In het bestreden besluit heeft het COA het verzoek van eiseres om opvang afgewezen omdat eiseres niet tot één van de categorieën asielzoekers valt aan wie opvang wordt geboden zoals bepaald in artikel 1, aanhef en onder d, in samenhang gezien met artikel 3, tweede en derde lid, van de Rva [3] . Daarnaast is niet gebleken dat sprake is van zeer bijzondere – medische – omstandigheden die, buiten de Rva om, toch recht op opvang doen ontstaan.
Zijn de gevolgen van het bestreden besluit onevenredig?
6.1.
Eiseres voert aan dat de weigering van het COA om aan haar geen opvang te verlenen onevenredige gevolgen heeft. Eiseres krijgt door de gang van zaken ten onrechte geen opvang van het COA. Het COA gaat er namelijk ten onrechte aan voorbij dat ook personen met een reguliere verblijfsvergunning binnen het COA mogen verblijven, als zij hier al verbleven. [4] Ook personen die kinderpardon hebben gekregen mogen in het COA verblijven in afwachting van uitstroom via taakstelling. [5] Eiseres heeft asiel en kinderpardon aangevraagd en toch werd zij uit de opvang gezet en daarna kreeg zij een vergunning. Als zij in de opvang had verbleven toen zij haar verblijfsvergunning kreeg, had zij wel in het COA mogen verblijven en viel zij ook onder de taakstelling. Nu zij geen opvang krijgt door het COA wordt zij dakloos en is de enige opvang waarvoor zij in aanmerking komt de winterkoudeopvang. Eiseres heeft evident recht op huisvesting zodat haar verblijf in Nederland daadwerkelijk mogelijk gemaakt kan worden. Het gaat om een uniek geval en het COA heeft ten onrechte niet de evenredigheid getoetst.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het COA zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres niet onder de groep valt waaraan het COA gehouden is opvang te verlenen en dat zij niet onderbouwd heeft dat er sprake zou zijn van een acute medische noodsituatie waardoor het COA niet gehouden is om opvang aan eiseres te verlenen. Eiseres voert aan dat het onevenredig is dat zij geen opvang krijgt van het COA, omdat zij nooit uit het COA gezet had mogen worden en omdat zij net buiten de kinderpardonregeling valt. Dit volgt de rechtbank niet. Uit de Afdelingsuitspraak van 10 januari 2014 [6] volgt dat het COA niet gehouden kan worden tot het verlenen van opvang in situaties die niet zijn voorzien in de Rva. De enige uitzondering is als een bijzondere omstandigheid, in de zin van een acute medische noodsituatie, zich voordoet. Dit houdt dus in dat het COA een beperkte taakstelling heeft waarmee het COA enkel gehouden is om over te gaan tot opvang aan asielzoekers of vreemdelingen die worden gelijkgesteld met asielzoekers. [7] Eiseres valt hier niet onder en dat wordt ook niet betwist. Er is in het geval van eiseres ook geen sprake van een acute medische noodsituatie. Bovendien heeft de regelgever specifiek voorzien in de situatie van eiseres. Uit de toelichting bij artikel 3, derde lid, aanhef en onder e, van de Rva volgt dat “
Indien de vreemdeling louter een reguliere aanvraag heeft doorlopen, of na de afwijzing van zijn asielaanvraag een reguliere aanvraag heeft ingediend brengt vergunningverlening op asielgerelateerde gronden geen recht op opvang mee.”Dit is wat in de situatie van eiseres speelt. Zij heeft eerst een asielaanvraag gedaan die is afgewezen en vervolgens heeft zij een vergunning gekregen op reguliere gronden. Volgens de regelgever brengt dit geen recht op opvang mee. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het afwijzen van de aanvraag van eiseres niet onevenredig is. Dat geldt ook voor het weigeren van het COA om met de gemeente te coördineren. Daarbij speelt ook mee dat eiseres al ruim acht jaar niet meer verblijft in de opvang van het COA. De rechtbank begrijpt dat het in deze tijd lastig is om een geschikte woonruimte te vinden. Dit is echter een probleem waar vele anderen in onze samenleving tegenaan lopen. Ook in die gevallen is het COA niet verantwoordelijk voor het verlenen van opvang.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het COA geen opvang hoeft te verlenen aan eiseres. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 29 december 2020, AWB 20/2737.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
4.Artikel 3, derde lid, aanhef en onder c, van de Rva.
5.Artikel 3, derde lid, aanhef en onder s, van de Rva.
7.Artikel 3, tweede en derde lid, van de Rva