6.5De staatssecretaris heeft tot slot betoogd dat er ook daadwerkelijk verwijderingsmaatregelen worden genomen op dit moment. Er worden met enige regelmaat vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Dit betoog faalt. Zolang eisers gevangenisstaf voortduurt, is het voor eiser onmogelijk om aan zijn vertrekplicht te voldoen en voor de staatssecretaris onmogelijk om eiser te verwijderen. Dat betekent dat met de vertrekgesprekken en eventuele andere verwijderingsmaatregelen het gewenste doel voorlopig niet
kanworden bereikt. Door oplegging van het terugkeerbesluit worden door de staatssecretaris verplichtingen in het leven geroepen voor zowel eiser (vertrekplicht) als de staatssecretaris (verwijderingsplicht), waar beide partijen de komende twintig jaar niet aan kunnen voldoen. Van doeltreffende verwijderingsmaatregelen is dan ook geen sprake.
7. De conclusie is dat de staatssecretaris ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd aan eiser. Het terugkeerbesluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Daarmee komt ook de grondslag voor het opgelegde inreisverbod te vervallen. Ook dat onderdeel van het besluit moet daarom worden vernietigd.
8. Omdat de primaire beroepsgrond slaagt, komt de rechtbank niet toe aan een behandeling van overige beroepsgronden van eiser.
9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
10. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,‑ (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,- (zestienhonderdvierenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzitter, en mr. H.B. van Gijn en mr. J.M.B. Cramwinckel, leden, in aanwezigheid van L. Fernandez Ferreiro, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.