De zaak betreft een beroep van een vreemdeling tegen twee besluiten van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid: de weigering van toegang tot Nederland en de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel in grensdetentie. De vreemdeling beschikte niet over een geldig reisdocument en voldoende middelen van bestaan, wat leidde tot de toegangsweigering. Tevens werd een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd vanwege risico op onttrekking aan toezicht, gebaseerd op meerdere gronden waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen en het niet naleven van terugkeerplicht.
De rechtbank oordeelt dat de gronden voor de toegangsweigering en de vrijheidsontnemende maatregel voldoende zijn onderbouwd en dat de vreemdeling geen overtuigende tegenargumenten heeft aangevoerd. Er is sprake van een kennelijke misslag in de datum van de maatregel, maar dit tast de geldigheid niet aan. De rechtbank acht de titel van de maatregel geldig en stelt dat de Staatssecretaris voortvarend heeft gehandeld bij de voorbereiding en uitvoering van de uitzetting.
Het beroep tegen beide besluiten wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M.F.A.M. Smeets op 22 december 2023.