Eiser heeft op 2 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel familie en gezin, ten behoeve van zijn moeder en zusje. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder) heeft niet binnen de wettelijke termijn van 90 dagen beslist en heeft de beslistermijn met drie maanden verlengd, maar ook daarna geen besluit genomen.
Eiser stelde de staatssecretaris op 21 juli 2023 in gebreke en diende daarna tijdig beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank legt een termijn van vier weken op waarbinnen verweerder alsnog een besluit moet nemen.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €7.500. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €184 en proceskosten van €209,25, waarbij rekening is gehouden met de lichte aard van de zaak en de beperkte belangen van eiser.
De rechtbank baseert zich op relevante artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000 en volgt eerdere jurisprudentie over beslistermijnen bij nareisaanvragen. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Verra en griffier N. Khalloufi op 6 november 2023.