ECLI:NL:RBDHA:2023:22240
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitstel van vertrek wegens medische redenen op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet
Eiser, een Egyptische asielzoeker met hypertensie, verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder weigerde dit op basis van een advies van het Bureau Medisch Advisering (BMA), dat stelde dat eiser medisch gezien in staat is te reizen en geen acute medische noodsituatie heeft.
Eiser betwistte het BMA-advies met verwijzing naar zijn patiëntendossier en stelde dat de BMA-arts zijn situatie onjuist had beoordeeld, met name omdat hij ondanks medicatie zware hoofdpijnklachten hield en dat deze klachten een medische noodsituatie zouden vormen. De rechtbank oordeelde dat eiser geen contra-expertise had overgelegd en dat zijn argumenten onvoldoende concrete aanknopingspunten boden om aan de juistheid van het BMA-advies te twijfelen.
De rechtbank overwoog dat het BMA-advies zorgvuldig was opgesteld en dat verweerder dit terecht als basis voor zijn besluit had genomen. Ook de stellingen over de toegankelijkheid van medische zorg in Egypte en het ontbreken van een netwerk werden niet inhoudelijk beoordeeld omdat het BMA-advies geen medische noodsituatie vaststelde.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond was, zodat het horen in bezwaar kon worden achterwege gelaten. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om geen uitstel van vertrek te verlenen wordt ongegrond verklaard.