Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 24 april 2022, waarna verweerder niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden een besluit nam. Eiser stelde verweerder op 25 oktober 2022 in gebreke en startte daarna het beroep.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. Omdat eiser nog niet is gehoord, legt de rechtbank een termijn van zestien weken op: binnen acht weken na verzending van het vonnis moet verweerder een eerste gehoor afnemen en binnen acht weken daarna het besluit bekendmaken. Dit volgt het 8+8- wekenmodel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank wijst een dwangsom toe van €100 per dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €7.500. Tevens krijgt eiser een proceskostenvergoeding van €418,50 toegekend vanwege de inschakeling van juridische hulp. De uitspraak vernietigt het niet tijdig genomen besluit en verplicht verweerder tot tijdige besluitvorming.