ECLI:NL:RBDHA:2023:2432

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2023
Publicatiedatum
2 maart 2023
Zaaknummer
NL22.8833
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdig beslissen en proceskostenveroordeling

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag bij de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Inmiddels heeft verweerder alsnog een inwilligend besluit genomen, waardoor het oorspronkelijke doel van het beroep is bereikt.

De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk omdat het belang van eiser is komen te vervallen. Het beroep tegen het inwilligend besluit wordt ongegrond verklaard, mede omdat de bestuurlijke dwangsom niet is verbeurd door verweerder. Dit volgt uit de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, die sinds 11 juli 2021 geldt en waarbij de automatische dwangsom niet van toepassing is op asielaanvragen voor bepaalde tijd.

Eiser stelde dat deze wet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel, maar de rechtbank oordeelt dat eiser niet in een vergelijkbare situatie verkeert als andere bestuursrechtelijke procedures en dat het onderscheid gerechtvaardigd is. De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser van €418,50 vanwege het te late besluit, waarbij een wegingsfactor is toegepast omdat de zaak enkel over de overschrijding van de beslistermijn ging.

Uitkomst: Het beroep tegen niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit ongegrond en verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten van €418,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.8833
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag.
Op 17 oktober 2022 heeft verweerder alsnog een inwilligend besluit genomen op de aanvraag. Het beroep van eiser wordt geacht mede gericht te zijn tegen het inwilligend besluit.
Eiser wil nu nog dat de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vaststelt en dat zij overgaat tot veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verweerder heeft op dit verzoek gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Dat is wat eiser heeft gedaan. Inmiddels heeft verweerder wel een besluit genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat eiser wilde en de rechtbank hoeft dit dan ook niet meer aan verweerder op te dragen. Omdat eiser het beroep niet heeft ingetrokken, moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over het beroep.
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank zal geen uitspraak doen over de vraag of eiser gelijk had met zijn beroep. Dit is om de volgende reden. Eiser wilde met zijn beroep bereiken dat verweerder zou beslissen op zijn aanvraag. Omdat verweerder inmiddels heeft
1. Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
beslist, heeft het beroep van eiser geen zin meer. Eiser heeft daarom geen belang meer bij zijn oorspronkelijke beroep (geen procesbelang).
Heeft verweerder een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
4. Eiser wil dat de rechtbank de hoogte van de verbeurde dwangsom (de bestuurlijke dwangsom) vaststelt.
Gelijkwaardigheidsbeginsel
5. Eiser voert aan dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Eiser wijst er op dat het geschil gaat om de vraag of er tijdig een besluit is genomen en dat de wetgever daarvoor een algemene regeling opgesteld heeft die in beginsel van toepassing is op het hele bestuursrecht. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ)2 gelden bij gelijke vorderingen dezelfde nationale regels, waaronder dus ook de automatische dwangsom die wordt verbeurd na een ingebrekestelling.
6. In artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet), zoals die geldt sinds 11 juli 2021, is bepaald dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 van de Awb (die deel uitmaken van afdeling 4.1.3) niet van toepassing zijn op een besluit op een asielaanvraag voor bepaalde tijd. In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 30 november 20223 is geoordeeld dat het afschaffen van de bestuurlijke dwangsom geen strijd oplevert met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel, waaronder begrepen het bepaalde in artikel 47 van Pro het Handvest. Dit betekent dat verweerder geen bestuurlijke dwangsom is verschuldigd.
Non-discriminatie
7. Verder voert eiser aan dat de Tijdelijke wetstrijdig is met het non- discriminatiebeginsel. De Tijdelijke wet maakt namelijk een onderscheid tussen rechtszoekenden op grond van de juridische status, in casu de status van asielzoeker, dan wel op grond van nationaliteit. Eiser meent dat dit onderscheid niet gerechtvaardigd is.
8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser op het non- discriminatiebeginsel niet slaagt. Dit beginsel houdt namelijk in de kern in, dat personen in vergelijkbare situaties een vergelijkbare behandeling zouden moeten krijgen en niet minder gunstig behandeld mogen worden, omdat ze een bepaalde “beschermde” eigenschap bezitten.4 Zoals volgt uit de uitspraak van de ABRvS van 30 november 20225 verschilt de asielprocedure met andere bestuurlijke procedures wat betreft het voorwerp, oorzaak en voornaamste kenmerken. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet in een vergelijkbare situatie verkeert als eenpersoon in een andere bestuursrechtelijke
2 Zie het arrest Pontin van 29 oktober 2009, C-63/08, ECLI:EU:C:2009:666.
4 Zie bijvoorbeeld het Handboek over het Europese non-discriminatierecht van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en Raad van Europa, 2020, p. 46.
procedure, waarin de bestuurlijke dwangsom niet is afgeschaft. Alleen al daarom is er geen sprake van discriminatie.
9. Concluderend kan de rechtbank niet vaststellen dat verweerder een bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd. Het beroep ten aanzien van het vaststellen van de bestuurlijke dwangsom is dan ook ongegrond.
Proceskostenveroordeling
10. Over de vergoeding van de proceskosten die eiser vraagt overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken, nu het bestreden besluit van 17 oktober 2022 te laat is genomen en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit terecht is ingesteld door eiser. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de andere partij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)). Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van eiser, maar is niet ingegaan op vergoeding van proceskosten. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van eiser te betalen.
11. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser die verweerder moet betalen vast op
€ 418,50. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn , rechter, in aanwezigheid van
B.L. Duteweert, griffier.
16 januari 2023
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.