ECLI:NL:RBDHA:2023:2436

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 januari 2023
Publicatiedatum
2 maart 2023
Zaaknummer
NL23.1418
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitECLI:EU:C:2022:858
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling op grond van Dublinverordening ongegrond

Eiser, een vreemdeling met de Algerijnse nationaliteit, werd op 9 januari 2023 geconfronteerd met een maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht naar Spanje volgens de Dublinverordening en het risico op ontduiking van toezicht.

Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 23 januari 2023, waarbij eiser werd bijgestaan door een gemachtigde en een tolk aanwezig was.

De rechtbank oordeelde dat de gronden voor de maatregel niet betwist werden en dat er geen onrechtmatigheden waren. De stelling van eiser dat de overheid onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de overdracht naar Spanje werd verworpen, omdat alle noodzakelijke stappen tijdig en adequaat waren genomen, waaronder claimverzoek, accordering, overdrachtsbesluit en vluchtaanvraag.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.1418
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Neermawatie Nandoe),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. van de Wal).

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Cherradi Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1993.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld; 4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
3. Eiser heeft de gronden van de maatregel niet betwist. Op dit onderdeel heeft de rechtbank ambtshalve toetsend geen onrechtmatigheden aangetroffen.
4. De beroepsgrond van eiser dat verweerder zijn overdracht naar Spanje onvoldoende voortvarend ter hand heeft genomen, treft geen doel. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Verweerder heeft op 10 januari 2023 een claimverzoek gedaan in de richting van de Spaanse autoriteiten. Deze claim is op 13 januari 2023 geaccordeerd. Verweerder heeft op 17 januari 2023 een overdrachtsbesluit genomen. Op 19 januari 2023 heeft verweerder een aanvraag voor een vlucht naar Spanje gedaan. Op 23 januari 2023 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat zijn vlucht zal plaatsvinden op 30 januari 2023. De rechtbank is van oordeel dat de stappen die verweerder heeft moeten nemen in het kader van de overdracht van eiser naar Spanje in ieder geval tot en met 19 januari 2023 met voldoende voortvarendheid zijn genomen. Op de vluchtaanvraag van 19 januari 2023 heeft verweerder ergens tussen 19 en 23 januari 2023 een reactie ontvangen, inhoudende dat de vlucht van eiser op 30 januari 2023 zal plaatsvinden. Mede door de afstemming die doorgaans dient plaats te vinden met de Spaanse autoriteiten, acht de rechtbank die vluchtdatum niet dermate ver in de tijd, dat dit het oordeel rechtvaardigt dat verweerder sinds 19 januari 2023 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De vergelijking met de door eiser aangehaalde uitspraak onder vindplaats ECLI:NL:RBDHA:2022:5871 ontgaat de rechtbank. In die uitspraak is nu juist geoordeeld dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld.
5. Tot slot overweegt de rechtbank dat zij ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is1 niet van oordeel is dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
6. De conclusie is dat het beroep ongegrond is. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr.
M.A.W.M. Engels, griffier.
1. zie de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
24 januari 2023
en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
Mr. R.J.A. Schaaf M.A.W.M. Engels
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.