ECLI:NL:RBDHA:2023:2500

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2023
Publicatiedatum
3 maart 2023
Zaaknummer
NL23.4677
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting afgewezen

Eiser, een Nigeriaanse vreemdeling, maakt bezwaar tegen het voortduren van zijn maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelt dat er geen zicht is op uitzetting omdat de Nigeriaanse autoriteiten geen laissez-passer (LP) hebben afgegeven en zijn vertrek via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) is geannuleerd. Eiser voert aan dat hij voldoende meewerkt aan zijn vertrek en dat een lichter middel passend zou zijn.

De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek rechtmatig werd bevonden. De rechtbank beoordeelt nu alleen of de maatregel sinds dat moment nog rechtmatig is. Uit de stukken blijkt dat verweerder zich heeft ingespannen om het vertrek van eiser te realiseren, zowel via IOM als via de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Nadat het vertrek via IOM niet doorging, werd direct een nieuwe vlucht geregeld en een nieuwe LP-aanvraag gestart.

De rechtbank concludeert dat er voldoende zicht is op uitzetting en dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is geworden. Ook is niet gebleken dat de gronden voor de maatregel zijn komen te vervallen of dat de bewaring onevenredig bezwarend is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.4677

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 30 november 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 21 februari 2023 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13603. Vervolgens is al eerder een vervolgberoep ingediend. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:759, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds dat moment de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser stelt dat zicht op uitzetting ontbreekt, nu de Nigeriaanse autoriteiten geen LP [2] hebben afgegeven en de geplande uitzetting daardoor is geannuleerd. De LP is geweigerd omdat eiser middels de IOM [3] zou vertrekken, maar dit is niet gebeurd. Dat het vertrek middels de IOM niet heeft plaatsgevonden, is volgens eiser te wijten aan een miscommunicatie. Hij wijst daarbij op het vertrekgesprek van 14 februari 2023. Eiser stelt dat hij voldoende meewerkt aan zijn vertrek. Zo heeft hij meegewerkt aan het gesprek met de Nigeriaanse autoriteiten ter vaststelling van zijn nationaliteit en heeft hij aangegeven terug te willen naar Nigeria. Eiser meent daarom dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel.
5. Uit de vertrekgesprekken en de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder heeft ingezet op zowel vertrek middels DT&V [4] als de IOM. Nadat de nationaliteit van eiser is bevestigd door de Nigeriaanse autoriteiten, is DIA [5] al eens gevraagd naar de mogelijkheid om voor eiser een vlucht te boeken. Nadat eiser tijdens het vertrekgesprek van 3 februari 2023, waarbij hij aangaf niet mee te willen vertrekken met de IOM, is DIA (weer) gevraagd om een LP-aanvraag te starten. Voorts besloot eiser toch mee te willen werken met een vertrek middels de IOM. Er stond een vlucht gepland voor eiser om middels de IOM te vertrekken op 13 februari 2023, maar verweerder heeft daarbij, terecht, rekening gehouden met het risico dat eiser uiteindelijk niet mee zou werken, waardoor de maatregel van bewaring destijds niet is opgeheven.
6. De reden dat de Nigeriaanse autoriteiten geen LP hebben afgegeven is gelegen in het feit dat de autoriteiten wilde afwachten of eiser middels de IOM zou vertrekken. Eiser heeft dit vervolgens niet heeft gedaan, naar eigen zeggen omdat bepaalde dingen voor hem niet duidelijk waren. De rechtbank leidt hier in ieder geval niet aan af dat de Nigeriaanse autoriteiten bij een volgende aanvraag geen LP zullen afgeven.
7. Zodra het verweerder duidelijk werd dat de vlucht met de IOM niet is doorgegaan, heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld door direct te kijken naar de mogelijkheid om twee dagen later, op 15 februari 2023, voor eiser een vlucht te regelen. Vervolgens is contact opgenomen met DIA over de afgifte van een LP. DIA heeft aangegeven dat dit niet binnen twee dagen kon lukken, maar meer tijd nodig is. Daarna heeft verweerder opdracht gegeven om een nieuwe vlucht te boeken voor eiser. Dat het vertrek middels de IOM is geannuleerd, maakt niet dat het niet meer mogelijk is om middels DT&V te vertrekken. Van belang is dat verweerder dan ook de tijd gegund dient te worden om de nieuwe vlucht te boeken, opnieuw een LP aan te vragen en om het vertrek met DT&V te realiseren. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat er, gelet op de voorgaande geschetste gang van zaken, geen zicht op uitzetting meer is en de maatregel daarom onrechtmatig is geworden.
8. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, en het daaruit volgende risico op onttrekking aan het toezicht, niet meer van toepassing zijn op eiser. Dat eiser stelt teleurgesteld te zijn dat de vlucht op 13 februari 2023 is geannuleerd en hij zich verder meewerkend opstelt, maakt dit niet anders. De rechtbank wijst daarbij ook op het vertrekgesprek van 3 februari 2023, waar eiser juist weer heeft verklaard niet terug te willen keren naar Nigeria, maar in Nederland te willen blijven. Voorts heeft hij niet meegewerkt aan de voor hem geplande vlucht middels de IOM. Eiser heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die de bewaring onevenredig bezwarend maken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder niet gehouden was een lichter middel aan eiser op te leggen.
9. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, nu zij gehouden is de maatregel van bewaring ambtshalve op rechtmatigheid te beoordelen [6] , ook los van wat eiser aanvoert geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Laissez-passer.
3.Internationale Organisatie voor Migratie.
4.Dienst Terugkeer en Vertrek.
5.Directie Internationale Aangelegenheden.
6.Zoals is bevestigd in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.