ECLI:NL:RBDHA:2023:2501

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 februari 2023
Publicatiedatum
3 maart 2023
Zaaknummer
NL22.22651
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 15 aanhef en onder c Richtlijn 2011/95/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek Somaliër wegens ongeloofwaardigheid bedreigingen Al-Shabaab

Eiser, een Somalische man, vroeg asiel aan in Nederland na te zijn ontvoerd en mishandeld door de terroristische organisatie Al-Shabaab, die zijn vader en oom zou hebben vermoord. Hij vreesde voor zijn leven bij terugkeer naar Somalië vanwege vermeende associaties met de overheid.

De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de door eiser gestelde bedreigingen. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt waarom Al-Shabaab hem als informant zou beschouwen. Tegenstrijdigheden in zijn verklaringen en het ontbreken van medische en vluchtdocumenten versterkten dit oordeel.

Eiser voerde aan dat medische problemen zijn inconsistenties verklaren en verwees naar landeninformatie over de veiligheidssituatie in Mogadishu. De rechtbank achtte dit onvoldoende om de afwijzing te weerleggen, mede omdat de situatie in de regio niet voldeed aan de criteria voor ernstige schade door willekeurig geweld.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.22651

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: K. Kouwenhoven en mr. A.M.H.W. van Heerebeek-de Graaf).

ProcesverloopBij besluit van 10 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Ahmed. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.H.W. van Heerebeek-de Graaf.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Somalische nationaliteit te hebben.
2. Op 4 december 2021 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag kort weergegeven het volgende ten grondslag gelegd. Op 10 september 2020 is eisers vader vermoord door de terroristische organisatie Al-Shabaab. De dag daarna is eiser door Al-Shabaab ontvoerd en tot 4 oktober 2020 gedetineerd. Eiser is in deze periode diverse malen ondervraagd en mishandeld. Aan eiser is gevraagd of zijn vader voor de overheid werkte. Nadat eiser heeft gezegd dat hij voor Al-Shabaab zou gaan werken, is hij vrijgelaten. Hij is toen naar Mogadishu gelift en naar een ziekenhuis gegaan. Daarna zijn eisers moeder en oom benaderd door Al-Shabaab. Eiser is toen ondergedoken. Vervolgens is eisers oom nog een aantal keer gebeld en uiteindelijk vermoord door Al-Shabaab. Drie dagen later, op 5 november 2020, is eiser gevlucht. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser te worden gedood door Al-Shabaab.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft echter de door eiser gestelde problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig geacht. Verweerder acht het namelijk weinig plausibel dat eiser in de negatieve belangstelling van Al-Shabaab staat vanwege de verdenking dat hij, net als zijn vader, een informant is voor de Somalische overheid. Daartoe overweegt verweerder dat niet is gebleken dat eiser en zijn vader voor de overheid werkten of voor de overheid nuttige informatie hadden. Dat eisers vader vrienden had die bij de overheid werkten, acht verweerder onvoldoende om eisers vrees aannemelijk te achten. De moorden op eisers vader en oom acht verweerder om dezelfde redenen weinig plausibel. Verder overweegt verweerder dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de moord op zijn vader. Daarnaast werpt verweerder aan eiser tegen dat hij de documenten over zijn opname in het ziekenhuis niet heeft overgelegd. Verder heeft eiser volgens verweerder tegenstrijdig verklaard over zijn vlucht.
4. Eiser voert daartegen het volgende aan. Verweerder heeft er onvoldoende rekening mee gehouden dat hij vanwege medische problemen tijdens zijn nader gehoor niet helder en consistent kon verklaren. Hierbij verwijst eiser naar de brief van zijn uroloog van 14 juli 2022. Het is wel degelijk plausibel dat Al-Shabaab hem met de overheid associeert en dat zijn vader en oom vermoord zijn omdat zijn vader vrienden had die bij de overheid werkten. Hierbij verwijst eiser naar de door Vluchtelingenwerk Nederland op 9 september 2022 verzamelde landeninformatie. Verder betwist eiser dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Ten slotte beroept eiser zich op de algemene veiligheidssituatie in de regio rond Mogadishu. Hierbij verwijst hij naar een persbericht van de UNHCR van 14 november 2022 (‘Somalia: Türk decries steep rise in civilian casualties amid surge in Al-Shabaab attacks’) en naar het Algemeen ambtsbericht inzake Somalië van de minister van Buitenlandse Zaken van 21 december 2021.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Uit de brief van eisers uroloog blijkt dat eiser op 21 juli 2022 aan zijn lies is geopereerd en dat het voor een goed herstel belangrijk was dat hij een week kon uitrusten. Hieruit volgt niet dat eiser tijdens het nader gehoor op 3 augustus 2022 niet in staat was om helder en consistent te verklaren. Dit blijkt ook niet uit het verslag van dit gehoor. Ook heeft eiser tijdens dit gehoor zelf meegedeeld dat hij lichamelijk en geestelijk in staat was om het gehoor te laten plaatsvinden. Verder heeft eiser geen correcties en aanvullingen op het gehoorverslag bij verweerder ingediend. Verweerder mocht daarom uitgaan van de verklaringen zoals eiser die tijdens dit gehoor heeft afgelegd.
6. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij in de negatieve aandacht van Al-Shabaab zou staan. Daartoe heeft verweerder kunnen overwegen dat uit eisers verklaringen niet is gebleken waarom Al-Shabaab zou vermoeden dat zijn vader en hij informanten voor de overheid waren. De enkele stelling van eiser dat zijn vader vrienden had die voor de overheid werkten is onvoldoende. Daartoe heeft verweerder kunnen overwegen dat niet is gebleken dat eiser en zijn vader zelf voor de overheid werkten of informatie hadden die voor de overheid nuttig zou kunnen zijn. Hieruit vloeit voort dat verweerder de moorden op eisers vader en oom weinig plausibel heeft kunnen achten. Uit de door eiser overgelegde landeninformatie blijkt dat Al-Shabaab mensen bedreigt die zij op enigerlei wijze associëren met de overheid, maar gelet op wat hiervoor is overwogen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat dit op hem van toepassing is. Voor zover uit deze landeninformatie blijkt dat Al-Shabaab mensen willekeurig rekruteert, oordeelt de rechtbank dat dit eiser niet kan baten aangezien hij niet aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd dat hij vreest voor willekeurige rekrutering door Al-Shabaab.
7. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de moord op zijn vader door aanvankelijk te verklaren dat hij op slag dood was (pagina 5 van het rapport nader gehoor) en daarna te verklaren dat hij in eerste instantie nog ademde en kort daarna is overleden (pagina 10 van het rapport nader gehoor). Ook heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij de door hem benoemde documenten over zijn opname in het ziekenhuis in Mogadishu niet heeft overgelegd. Daarnaast heeft verweerder terecht overwogen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn vlucht door aanvankelijk te verklaren dat hij in Somalië een reisagent had die een visum voor hem heeft geregeld (pagina’s 11 en 12 van het rapport aanmeldgehoor) en daarna te verklaren dat een oom in Somalië alles heeft geregeld en hij pas in Griekenland een reisagent had (pagina’s 3, 4 en 25 van rapport nader gehoor). Uit al het voorgaande in samenhang bezien volgt dat verweerder eisers gestelde problemen met Al-Shabaab niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.
8. Op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn) kan ernstige schade bestaan uit willekeurig geweld. Volgens vaste jurisprudentie is hiervan slechts sprake in
the most extreme cases of general violence(Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 17 juli 2008, N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0717JUD002590407). Uit de door eiser overgelegde landeninformatie kan niet worden opgemaakt dat een dergelijke situatie zich in de regio rond Mogadishu voordoet. Verder zijn in onderdeel C7/30.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 personen die door Al-Shabaab geassocieerd worden met de overheid als risicogroep benoemd. Dit brengt met zich dat slechts vereist is om geringe indicaties aannemelijk te maken. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is eiser daarin echter niet geslaagd.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.