Eiser maakte bezwaar tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting en tegen aanmaningskosten die door de gemeente Den Haag aan hem in rekening waren gebracht. De bezwaren werden afgewezen door dezelfde functionaris die ook de dwangsom had afgewezen, wat volgens eiser in strijd is met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank oordeelt dat deze bepaling een essentiële waarborg is voor een zorgvuldige heroverweging van het primaire besluit door een andere functionaris dan degene die het oorspronkelijke besluit nam. Omdat dezelfde persoon de uitspraken op bezwaar heeft ondertekend, is sprake van onbevoegdheid bij de beslissing op bezwaar.
Verder is vastgesteld dat verweerder in één zaak (SGR 22/385) niet de juiste verzendadministratie heeft gebruikt, waardoor eiser geen belang meer had bij dat beroep. Daarom is dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar in de zaken SGR 21/8305 en SGR 21/8308 en wijst deze terug naar verweerder om opnieuw te beslissen met inachtneming van de juiste mandaatregels. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan eiser.