Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag die op 26 januari 2022 werd ingediend. De wettelijke beslistermijn van zes maanden was verstreken zonder dat verweerder een besluit had genomen, en verweerder had geen verlenging van de termijn aangevraagd. Na een rechtsgeldige ingebrekestelling op 19 augustus 2022 en het verstrijken van twee weken zonder besluit, stelde eiser beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank draagt verweerder op binnen zestien weken na de uitspraak een besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een nader gehoor. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd, met een maximum van €7.500, voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €418,50. De uitspraak is gebaseerd op bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht, de Vreemdelingenwet 2000 en relevante jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij het belang van zorgvuldige en tijdige besluitvorming in asielzaken wordt benadrukt.