ECLI:NL:RBDHA:2023:3084

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 maart 2023
Publicatiedatum
13 maart 2023
Zaaknummer
NL23.1936
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 12 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 9 EVRMVreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-in-ontvangstneming asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk

Eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende persoon, diende op 18 mei 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling, gezien eerdere visumverstrekking aan eiser en de acceptatie van het overnameverzoek door Frankrijk.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kan worden toegepast vanwege slechte omstandigheden in Frankrijk, gebrek aan vrijheid van godsdienst en zijn intentie om in Nederland asiel aan te vragen. Tevens stelde hij dat verweerder onvoldoende rekening hield met de gevolgen van overdracht en verwees naar artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelde dat Frankrijk in beginsel verantwoordelijk is en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is. De brief van VluchtelingenWerk Nederland gaf geen nieuw beeld, en Frankrijk is gebonden aan het EVRM, waaronder vrijheid van godsdienst. De intentie van eiser en het aantal geloofsgenoten in Nederland zijn niet relevant voor de verantwoordelijke lidstaat.

Verweerder hoefde artikel 17 niet Pro toe te passen omdat niet was onderbouwd dat overdracht onevenredige hardheid oplevert. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.1936

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Brock).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL23.1937, op 1 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. D. de Heuvel, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen V. Sharma. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Op 18 mei 2022 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw [1] . Uit onderzoek in
EU-VIS is gebleken dat Frankrijk aan eiser tweemaal een visum heeft verstrekt, geldig van 12 mei 2022 tot 11 juni 2022 respectievelijk van 9 mei 2022 tot 4 november 2022. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Frankrijk verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening [2] . Frankrijk heeft het verzoek op 29 september 2022 geaccepteerd.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan omdat de omstandigheden in Frankrijk slecht zijn. Hierbij wordt verwezen naar een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 16 februari 2022. Ook is er in Frankrijk geen sprake van vrijheid van godsdienst en zijn in Nederland zijn veel geloofsgenoten met wie eiser zijn geloof kan belijden. Verder was het eisers intentie om in Nederland een asielaanvraag in te dienen, omdat hij de situatie in Nederland beter vindt voor zijn gezin. Tot slot is niet gebleken dat verweerder rekening heeft gehouden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht kunnen voortvloeien. Eiser doet hierbij een beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Frankrijk in beginsel verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Uitgangspunt is dat verweerder ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit is recentelijk door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd. [3] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hier niet in geslaagd.
5. Uit de overgelegde brief van VluchtelingenWerk Nederland volgt geen wezenlijk ander beeld dan waarover in de eerdergenoemde uitspraak is geoordeeld. Daarnaast is Frankrijk gebonden aan het EVRM [4] en daarmee ook aan de verplichting om vrijheid van godsdienst te waarborgen. Dit vloeit voort uit artikel 9 van Pro het EVRM. De enkele stelling dat er geen vrijheid van godsdienst is in Frankrijk is onvoldoende om te oordelen dat Frankrijk deze verplichting niet nakomt. De intentie van eiser om naar Nederland te komen is bovendien niet relevant voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat.
6. In de stelling dat in Nederland veel geloofsgenoten zijn heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven zien toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Niet is gebleken of onderbouwd dat het voor eiser onmogelijk is om zijn geloof te praktiseren in Frankrijk ongeacht of er in Frankrijk geloofsgenoten zijn. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte bepaald dat overdracht niet getuigt van onevenredige hardheid. Verweerder heeft in de stelling dat Nederland beter is voor het gezin van eiser evenmin aanleiding hoeven zien de asielaanvraag aan zich te trekken, nu dit niet nader is onderbouwd. Tot slot is niet onderbouwd welke aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor eiser uit de overdracht kunnen voortvloeien en die verweerder daarom had moeten meewegen.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening nr. (EU) 604/2013.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.