ECLI:NL:RBDHA:2023:3134
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schorsing in het belang van de dienst van beroepsmilitair
Eiseres, een beroepsmilitair, werd geschorst nadat zij zonder toestemming haar opleiding in Duitsland had verlaten en de Duitse autoriteiten hadden verzocht haar uit de opleiding te nemen. Verweerder legde de schorsing op op grond van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).
Eiseres stelde dat de schorsing onnodig en disproportioneel was, dat zij voldoende gelegenheid had gehad haar standpunt te geven en dat de schorsing haar carrière en proceskosten schaadde. De rechtbank oordeelde dat de schorsing een redelijke maatregel was om de situatie te bevriezen en de continuïteit binnen de eenheid te waarborgen, en dat het formele traject voldoende zorgvuldig was doorlopen.
De rechtbank concludeerde dat de belangen van de dienst zwaarder wogen dan de nadelige gevolgen voor eiseres en dat het beroep ongegrond was. De schorsing was van korte duur en belemmerde de voortzetting van de opleiding niet. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de schorsing in het belang van de dienst wordt ongegrond verklaard.