Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2023 in de zaak tussen
Centercom Buitenreclame B.V., uit Amstelveen, eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
openbarenet aangesloten nutsvoorziening, [4] dit in tegenstelling tot bouwwerken ten behoeve van de
eigenenergievoorziening. [5] De hier relevante bepalingen zijn, met enkele redactionele wijzigingen, opgenomen in het Bouwbesluit 2012. De rechtbank ziet geen aanleiding om de bepaling in het Bouwbesluit anders uit te leggen dan onder het regime van de Bblb. [6] De rechtbank wijst verder op uitspraken van de Afdeling waaruit volgt dat lantaarnpalen die de
openbareweg verlichten als straatmeubilair vergunningsvrij zijn, [7] maar lichtmasten om een
eigenterrein rondom een
–de rechtbank begrijpt: voor commerciële doeleinden geëxploiteerde
–sauna te verlichten, geen straatmeubilair en dus niet vergunningsvrij zijn. [8]
ten behoeve vaneen infrastructurele of openbare voorziening, voor zover het een nutsvoorziening of straatmeubilair betreft. Volgens de rechtbank is dat niet het geval. Eiseres verhuurt reclameruimte aan derden, waaronder merken en culturele instellingen, die tegen betaling hun boodschap kenbaar kunnen maken in de publieke ruimte. Volgens de website van eiseres vormen haar reclameobjecten “tezamen een groot landelijk gespreid medianetwerk” en biedt zij “adverteerders de kans om direct met hun doelgroep te communiceren”. De reclameframes functioneren volgens de rechtbank dus hoofdzakelijk ten behoeve van de commerciële verhuur van reclameruimte, en niet ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening. Dat met de aanwezigheid ervan mogelijk vandalisme van netwerkkasten wordt tegengegaan, maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat verweerder in het reclamebeleid spreekt van “reclamemeubilair” als “ander straatmeubilair” maakt dit niet anders. Het beleid van de gemeente kan gelet op wat de rechtbank onder 4 heeft overwogen namelijk geen afbreuk doen aan de uitleg van de in het Bor opgenomen bepalingen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de aanvraag integraal mogen toetsen?
waaromhet vergunnen van (een deel van) de aangevraagde reclameframes leidt tot reclame die niet past in de omgeving, of tot een disbalans van reclameobjecten binnen de gemeente. Enige vorm van (controleerbare) onderbouwing ontbreekt. Bovendien hebben verweerder noch de Acor rekenschap gegeven van de in het reclamebeleid gehanteerde gebiedszonering. Het reclamebeleid onderscheidt zeven zones waarin de diverse mogelijkheden voor reclame worden bepaald door de aard van het gebied, variërend van (bijna) geen reclame in groengebieden en woonwijken, tot veel reclame in een publiek concentratiegebied. Gelet op het feit dat de reclameframes verspreid zijn over een groot gedeelte van de gemeente, en dus in meerdere zones staan, is het onbegrijpelijk waarom verweerder hieraan voorbij is gegaan.
Heeft verweerder terecht de reclamevergunning geweigerd?
kanweigeren, en verweerder zou het reclamebeleid betrekken bij de afweging om wel of niet de reclamevergunning te verlenen, dan nog kan hij zich niet zonder nadere motivering baseren op het gebrekkige advies van de Acor, gelet op wat de rechtbank onder 9 van deze uitspraak heeft overwogen. Aan de overige twee weigeringsgronden heeft verweerder niet getoetst. Verweerder heeft daarom zonder deugdelijke motivering de reclamevergunning geweigerd.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.674,-.