Verzoekster diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel 'familie en gezin', welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 26 januari 2022 werd afgewezen. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd. Tijdens de bezwaarprocedure verklaarde de Staatssecretaris het bezwaar gegrond, waarna verzoekster de voorlopige voorziening introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank overwoog dat de intrekking van de voorlopige voorziening niet het gevolg was van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen onrechtmatigheid, aangezien de nieuwe feiten en omstandigheden pas tijdens de bezwaarfase naar voren kwamen. De herroeping van het oorspronkelijke besluit hield geen erkenning van onrechtmatigheid in zoals vereist voor proceskostenvergoeding.
Verder werd opgemerkt dat het bezwaarschrift zelf geen schorsende werking heeft, hetgeen correct was vermeld in het oorspronkelijke besluit. Gelet op deze omstandigheden werd het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk ongegrond afgewezen.