ECLI:NL:RBDHA:2023:3239
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot teruggeleiding minderjarige naar Duitsland in internationale kinderontvoeringszaak
De vader verzocht de rechtbank om de onmiddellijke terugkeer van zijn minderjarige kind naar Duitsland te gelasten, op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De moeder voerde verweer en stelde dat de gewone verblijfplaats van het kind niet in Duitsland was. De rechtbank onderzocht de feiten en omstandigheden rondom het verblijf van het kind en de ouders sinds de geboorte in Duitsland in 2016.
De rechtbank stelde vast dat de moeder met het kind sinds 2017 in verschillende landen verbleef, waaronder Irak en Griekenland, en dat de gewone verblijfplaats van het kind daardoor was gewijzigd van Duitsland naar deze landen. De korte periode dat het kind in 2021 bij de vader in Duitsland verbleef, was onvoldoende om de gewone verblijfplaats te wijzigen. Er was geen concrete intentie van partijen om zich als gezin permanent in Duitsland te vestigen.
De rechtbank concludeerde dat de gewone verblijfplaats van het kind voorafgaand aan de overbrenging naar Nederland niet in Duitsland lag, zodat het verzoek tot teruggeleiding werd afgewezen. Tevens werd het verzoek om de moeder te veroordelen tot vergoeding van kosten afgewezen. De proceskosten werden door partijen zelf gedragen. De bijzondere curator werd opgedragen de uitspraak met het kind te bespreken en zijn werkzaamheden werden beëindigd indien geen hoger beroep werd ingesteld.
Uitkomst: Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Duitsland wordt afgewezen omdat de gewone verblijfplaats van het kind niet in Duitsland was.