ECLI:NL:RBDHA:2023:3350
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiser, een Pakistaanse asielzoeker, diende op 23 augustus 2022 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling, aangezien eiser daar eerder een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Dit besluit werd gebaseerd op de Dublinverordening en een geaccepteerd verzoek tot terugname door Frankrijk.
Eiser voerde aan dat de staatssecretaris niet voldeed aan zijn informatieplicht zoals voorgeschreven in artikel 4 van Pro de Dublinverordening, met name door het niet uitreiken van de verplichte brochures voorafgaand aan het aanmeldgehoor. Dit zou een zorgvuldigheidsgebrek opleveren dat het besluit nietig zou maken. Tevens verzocht eiser om aanhouding van de zaak in afwachting van prejudiciële vragen van het Hof van Justitie.
De rechtbank stelde vast dat Frankrijk inderdaad verantwoordelijk is en dat het vertrouwensbeginsel geldt. Hoewel het aanmeldgehoor niet duidelijk maakte dat de brochures vooraf waren uitgereikt, bleek wel dat de Dublinprocedure aan eiser was uitgelegd en hij op de inhoud van de folder was gewezen. Eiser had bovendien de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen en werd bijgestaan door een gemachtigde die ter zitting verklaarde niet in zijn belangen te zijn geschaad.
De rechtbank concludeerde dat het zorgvuldigheidsgebrek niet leidde tot een onzorgvuldig besluit en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding om te wachten op het antwoord op de prejudiciële vragen. Het beroep wordt dan ook afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.