ECLI:NL:RBDHA:2023:3350

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2023
Publicatiedatum
16 maart 2023
Zaaknummer
NL23.3459
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 DublinverordeningArt. 5 DublinverordeningArt. 16bis Uitvoeringsverordening DublinArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen

Eiser, een Pakistaanse asielzoeker, diende op 23 augustus 2022 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling, aangezien eiser daar eerder een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Dit besluit werd gebaseerd op de Dublinverordening en een geaccepteerd verzoek tot terugname door Frankrijk.

Eiser voerde aan dat de staatssecretaris niet voldeed aan zijn informatieplicht zoals voorgeschreven in artikel 4 van Pro de Dublinverordening, met name door het niet uitreiken van de verplichte brochures voorafgaand aan het aanmeldgehoor. Dit zou een zorgvuldigheidsgebrek opleveren dat het besluit nietig zou maken. Tevens verzocht eiser om aanhouding van de zaak in afwachting van prejudiciële vragen van het Hof van Justitie.

De rechtbank stelde vast dat Frankrijk inderdaad verantwoordelijk is en dat het vertrouwensbeginsel geldt. Hoewel het aanmeldgehoor niet duidelijk maakte dat de brochures vooraf waren uitgereikt, bleek wel dat de Dublinprocedure aan eiser was uitgelegd en hij op de inhoud van de folder was gewezen. Eiser had bovendien de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen en werd bijgestaan door een gemachtigde die ter zitting verklaarde niet in zijn belangen te zijn geschaad.

De rechtbank concludeerde dat het zorgvuldigheidsgebrek niet leidde tot een onzorgvuldig besluit en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding om te wachten op het antwoord op de prejudiciële vragen. Het beroep wordt dan ook afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.3459

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.3460, op 8 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T.J. Hussain. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1992 en de Pakistaanse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 23 augustus 2022 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Volgens verweerder zijn de autoriteiten van Frankrijk verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag, omdat eiser al eerder in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. [2] Op 31 oktober 2022 hebben de Franse autoriteiten dit verzoek geaccepteerd.
3. Eiser voert daartegen aan dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen op grond van artikel 4 van Pro de Dublinverordening en de bijlagen X tot en met XIII van de Uitvoeringsverordening Dublin [3] nu uit het aanmeldgehoor niet blijkt dat verweerder aan eiser de informatiebrochure deel A en deel B heeft uitgereikt. Daarnaast blijkt uit het aanmeldgehoor niet wat er precies aan eiser is medegedeeld over de Dublinprocedure. Verweerder heeft derhalve niet aan zijn informatieplicht voldaan, zodat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek dat leidt tot nietigheid van het overdrachtsbesluit. Tot slot verzoekt eiser de rechtbank zijn zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie [4] op de prejudiciële vragen [5] die door de Italiaanse rechter op 8 april 2021 zijn gesteld over de toepassing van artikel 4 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser en dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk en dat het zijn verdragsverplichtingen nakomt. [6]
5. Artikel 4, eerste lid, van de Dublinverordening verplicht de lidstaten om een vreemdeling, zodra deze een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, te informeren over de toepassing van de Dublinverordening, met name over de in dat lid genoemde onderwerpen. In het tweede lid is bepaald dat de informatie schriftelijk wordt verstrekt, en voorts ook mondeling indien dat nodig is voor een goed begrip van de vreemdeling van de informatie. Artikel 16bis in samenhang met bijlage X van de Uitvoeringsverordening Dublin voorziet in een gemeenschappelijke brochure, deel A en B, die ter uitvoering van voornoemde verplichtingen is opgesteld.
6. Uit het aanmeldgehoor van eiser lijkt te volgen dat verweerder in dit geval niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening heeft gehandeld door deel A en deel B van de brochures niet voorafgaand aan het aanmeldgehoor aan eiser uit te reiken. [7] Uit het aanmeldgehoor blijkt echter wel zonder meer dat vervolgens de Dublinprocedure aan eiser is uitgelegd en dat de gehoormedewerker eiser op de inhoud van de folder heeft gewezen. Nu zowel eiser als verweerder ter zitting niet heeft kunnen verklaren of op dat moment de folder alsnog aan eiser is uitgereikt laat de rechtbank dat gegeven in het midden nu dat om de hiernavolgende redenen niet afdoet aan de conclusie.
7. De op verweerder rustende verplichting om eiser op de hiervoor beschreven wijze van informatie te voorzien dient ertoe om eiser voor te bereiden op het ingevolge artikel 5 van Pro de Dublinverordening voorgeschreven persoonlijk onderhoud. Hierdoor wordt bevorderd dat eiser zo goed en volledig mogelijk verklaart over feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een zorgvuldige besluitvorming. Eventuele gebreken of omissies in deze fase van de voorbereiding van de besluitvorming kunnen worden hersteld in de vervolgfase, na het voornemen. Eiser is in de gelegenheid geweest om een zienswijze in te dienen en hij is daarbij bijgestaan door zijn gemachtigde. Zoals verweerder terecht opmerkt heeft eiser niet onderbouwd welke belangrijke informatie uit de brochures hem zou zijn onthouden. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat de folders alom beschikbaar zijn en dat eiser eerder vergelijkbare procedures heeft doorlopen. Bovendien heeft de gemachtigde van eiser ter zitting, desgevraagd, expliciet verklaard dat hij niet in zijn belangen is geschaad. Van een onzorgvuldig voorbereid besluit is dan ook geen sprake.
8. Gelet op voorgaande conclusie ziet de rechtbank in wat eiser heeft aangevoerd geen reden om het antwoord op de prejudiciële vragen die de Italiaanse rechter hieromtrent heeft gesteld af te wachten.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Verordening (EU) nr. 118/2014.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.In de zaak C-228/21.
6.Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ten aanzien van Frankrijk in haar uitspraak van 21 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:816) heeft geoordeeld.
7.Aanmeldgehoor van 7 oktober 2022, p. 2/8.