ECLI:NL:RVS:2021:816
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen bijzondere omstandigheden voor overdracht asielzoeker aan Frankrijk onder Dublinverordening
De vreemdeling, van Soedanese nationaliteit, vroeg samen met haar minderjarige kinderen asiel aan in Nederland. De staatssecretaris weigerde de aanvraag in behandeling te nemen op grond van de Dublinverordening, omdat Frankrijk verantwoordelijk werd geacht. De rechtbank oordeelde dat vanwege eerdere schrijnende opvangomstandigheden in Frankrijk bijzondere omstandigheden bestonden, waardoor overdracht alleen kon plaatsvinden met garanties van goede opvang.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en betwistte dat sprake was van zulke bijzondere omstandigheden. De Raad van State overwoog dat de vreemdeling onvoldoende concrete informatie had verstrekt over haar verblijf en klachten in Frankrijk en dat de eerdere opvangsituatie niet vergelijkbaar was met jurisprudentie waarin sprake was van schending van artikel 3 EVRM Pro.
De Raad concludeerde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris zich uitsluitend op het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon beroepen na het ontbreken van garanties. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, de uitspraken van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd; het beroep wordt alsnog ongegrond verklaard.