De zaak betreft een beroep tegen de beschikking van verweerder waarin de waarde van een onroerende zaak, een deel van een bistro, is vastgesteld op €618.000 op basis van de Wet WOZ. Eiser maakte bezwaar tegen deze waarde, stellende dat de waardering onjuist was vanwege onder meer onjuiste objectafbakening en onvoldoende rekening houden met onderhoudstoestand en coronagevolgen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de waarde aannemelijk heeft gemaakt met een taxatierapport waarin vergelijkbare huur- en verkooptransacties zijn gebruikt. De toegepaste kapitalisatiefactor en huurwaarden zijn voldoende onderbouwd. De coronacorrectie van €32.550 is toegepast conform VNG-richtlijnen.
Eisers stellingen over gebrekkige onderhoudssituatie, onjuiste referentieobjecten en onvoldoende transparantie in onderliggende gegevens zijn niet aannemelijk gemaakt. Het ontbreken van een apart hoorverslag leidt niet tot een ander oordeel omdat de hoorzitting in de uitspraak op bezwaar adequaat is samengevat.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.