ECLI:NL:RBDHA:2023:3513

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2023
Publicatiedatum
17 maart 2023
Zaaknummer
SGR 22/4500
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 6:2 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen herbeoordeling kinderopvangtoeslag niet-ontvankelijk verklaard

Eiseres heeft op 21 december 2020 een aanvraag ingediend voor herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2007 tot en met 2010. Na overschrijding van de beslistermijn stelde zij verweerder in gebreke en diende zij op 1 juni 2022 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. Verweerder kende een bestuurlijke dwangsom toe en besloot op 20 september 2022 alsnog op de aanvraag met vier primaire besluiten, waarbij deels compensatie werd toegekend en deels verzoeken werden afgewezen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen terecht is ingesteld, maar door het alsnog nemen van besluiten het belang bij dit beroep is komen te vervallen, zodat dit deel niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het beroep tegen de primaire besluiten wordt doorgezonden naar verweerder voor behandeling als bezwaarschrift, aangezien dit de gebruikelijke procedure is in het bestuursrecht.

De rechtbank wijst het beroep tegen de dwangsom af omdat de wet geen afwijking van het maximale bedrag toestaat. Verder wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht en de proceskosten in beroep vastgesteld op €418,50. De uitspraak is gedaan door rechter D. Biever op 3 maart 2023.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift wordt doorgezonden als bezwaarschrift tegen de primaire besluiten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/4500

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2023 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. R. Dill),
en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: mr. [A] en mr. [B]).

Procesverloop

Op 1 juni 2022 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op haar aanvraag van 21 december 2020 om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft verweerder eiseres de maximale bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- toegekend vanwege het niet tijdig beslissen op de aanvraag.
Verweerder heeft op 20 september 2022 beslist op de aanvraag van eiseres door vier besluiten te nemen. Verweerder heeft eiseres over de toeslagjaren 2007 en 2008 een compensatiebedrag van € 24.374,- toegekend (primair besluit 1), over het toeslagjaar 2009 een compensatiebedrag van € 24.374,- (primair besluit 2) en de verzoeken om compensatie (primair besluit 3) en tegemoetkoming op grond van de hardheidsregeling (primair besluit 4) over het toeslagjaar 2010 afgewezen.
Eiseres heeft op 26 september 2022 kenbaar gemaakt het beroep te willen handhaven.
De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2023 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Eiseres heeft kinderopvangtoeslag ontvangen van 2007 tot en met 2010 en op 21 december 2020 verzocht om herbeoordeling van haar recht daarop. Verweerder heeft dit verzoek in behandeling genomen. Bij besluit van 3 juni 2021 heeft verweerder eiseres € 30.000,- toegekend en medegedeeld dat nog moet worden beoordeeld of zij voor een hogere vergoeding in aanmerking komt.
Bij brief van 5 juni 2021 heeft verweerder de beslistermijn verlengd met zes maanden en eiseres gemeld dat uiterlijk op 21 december 2021 op de aanvraag moet zijn beslist. Eiseres heeft verweerder op 2 februari 2022 in gebreke gesteld. Op 16 februari 2022 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat het niet gelukt is om tijdig te beslissen op de aanvraag en er meer tijd nodig is. Eiseres heeft tegen dit niet tijdig beslissen een beroep bij de rechtbank ingediend. Verweerder heeft op 20 september 2022 beslist op de aanvraag.
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan bij de bestuursrechter. Voordat hij of zij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn of haar aanvraag (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
4. Niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op de aanvraag is overschreden. [2] Eiseres heeft verweerder nadien in gebreke gesteld. Sindsdien zijn meer dan twee weken verstreken waarin niet is beslist op de aanvraag. Dit betekent dat eiseres terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag.
5. Verweerder heeft bij besluit van 18 augustus 2022 eiseres de maximale bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- toegekend. [3] Een beslissing van de rechtbank is op dit punt niet meer nodig. De wet biedt de rechter niet de mogelijkheid om van het maximale bedrag af te wijken, zodat de rechtbank voorbij gaat aan het betoog van eiseres dat de maximale dwangsom te laag is. [4] Het beroep – voor zover het gericht is op het vaststellen van de dwangsom – slaagt daarom niet.
6. Verweerder heeft met de primaire besluiten van 20 september 2022 alsnog op de aanvraag van eiseres beslist. Dit betekent dat het belang van eiseres bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag is komen te vervallen. De rechtbank zal het beroep – voor zover het is gericht op het niet tijdig beslissen – niet-ontvankelijk verklaren.
7. Tenzij geheel aan het beroep is tegemoetgekomen, heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit. [5] Omdat een deel van de besluiten een afwijzing inhouden van de aanvraag en eiseres zich hiermee niet kan verenigen, is niet aan het beroep van eiseres tegemoetgekomen. Het beroep richt zich dan ook tegen deze besluiten.
8. De rechtbank ziet aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid om het beroepschrift door te sturen naar verweerder, omdat het gericht is tegen primaire besluiten waartegen een bezwaarschrift kan worden ingediend. [6] De rechtbank maakt in de regel gebruik van deze bevoegdheid wanneer er een primair besluit is genomen. Het voeren van een bezwaarschriftprocedure tegen een (reëel) primair besluit is namelijk het uitgangspunt in het bestuursrecht. Daar komt bij dat de inhoudelijke standpunten nog onvoldoende tussen partijen zijn besproken. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat tegen deze doorzending geen rechtsmiddel openstaat zodat hoger beroep tegen dit deel van de uitspraak niet mogelijk is.
9. Omdat eiseres terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag bepaalt de rechtbank dat verweerder eiseres het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden.
10. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze vast op € 418,50 (1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor 0,5 van toepassing is in deze zaak, omdat het beroep ziet op het niet tijdig nemen van een besluit en dit te kwalificeren is als licht. Er bestaat geen aanleiding om een punt toe te kennen voor het indienen van het beroepschrift, omdat dit door eiseres zelf is gedaan, evenals de aanvullende gronden. Pas op zitting is eiseres bijgestaan door haar gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover het ziet op het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;
- verwijst het beroepschrift van rechtswege tegen de primaire besluiten naar verweerder voor behandeling als bezwaarschrift;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50;
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht ter hoogte van € 50,- aan haar te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zie artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).
2.Zie artikel 6:2, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.
3.Zie artikelen 4:17 en 4:18 van de Awb.
4.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:612, r.o. 5.19).
5.Zie artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
6.Zie artikel 6:20, vierde lid, van de Awb.