ECLI:NL:CRVB:2017:612
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken woonplaats in gemeente
Appellant ontving sinds 2003 bijstand op grond van de WWB, ingeschreven op een adres in de gemeente. Uit een onderzoek van de sociale recherche bleek dat appellant vermoedelijk niet op dat adres woonde. Het college trok de bijstand over de periode 2009-2014 in en vorderde de kosten terug. Appellant diende bezwaar in en verzocht om toekenning van bijstand, maar het college wees dit af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stond centraal of appellant zijn woonplaats in de gemeente had gedurende de periode in geschil. De Raad oordeelde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant zijn centrum van maatschappelijk leven buiten de gemeente had, onder meer op basis van verbruiksgegevens, verklaringen van buurtbewoners en getuigenverklaringen van de dochter van appellant. Appellant had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij wel woonde op het uitkeringsadres.
De Raad verwierp ook het beroep op dringende redenen om terugvordering te matigen, omdat appellant dit niet aannemelijk had gemaakt. De aanvraag tot bijstand werd terecht afgewezen wegens ontbreken van gewijzigde omstandigheden. De dwangsom van €740,- werd gegrond berekend volgens de wettelijke normen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.