Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser,
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, vroeg een visum voor kort verblijf aan om zijn partner in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing.
De rechtbank beoordeelde ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep en stelde vast dat het beroepschrift op 25 augustus 2022 werd ontvangen, terwijl de wettelijke termijn van vier weken na bekendmaking van het besluit op 27 juni 2022 was verstreken. Eiser voerde aan dat het besluit pas op 22 augustus 2022 was bekendgemaakt, maar verweerder toonde met een printscreen van het geautomatiseerde registratiesysteem aan dat het besluit op 27 juni 2022 per post was verzonden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat het besluit rechtsgeldig was verzonden en dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat de ontvangst redelijkerwijs betwijfeld kon worden. Daarom was het beroep niet tijdig ingediend en verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een visum voor kort verblijf wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.