Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2023:369

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 januari 2023
Publicatiedatum
19 januari 2023
Zaaknummer
NL22.24171
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Bulgarije wegens pushbacks

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Bulgarije verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. De voorzieningenrechter stelt vast dat Bulgarije zich schuldig maakt aan pushbacks, maar partijen verschillen van mening over de toepassing daarvan op Dublinclaimanten.

De rechtbank is ambtshalve bekend met lopende procedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Hof van Justitie van de EU over de ondeelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, wat ook relevant is voor deze zaak. De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft en dat onverwijlde spoed bestaat om de overdracht te schorsen.

De voorlopige voorziening wordt toegewezen, waarmee de status quo wordt gehandhaafd zonder vooruit te lopen op de bodemprocedure. De overdrachtstermijn wordt gestuit en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 837,00. De uitspraak is definitief en niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de overdracht aan Bulgarije geschorst totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.24171

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Pals),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL22.24170). Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verzoeker heeft hier schriftelijk op gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het beroep, op 11 januari 2023 op zitting behandeld. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn met bericht van afwezigheid niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb geformuleerde vereisten is voldaan. Namens verzoeker is immers beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en deze rechtbank is bevoegd om van de hoofdzaak kennis te nemen. De voorzieningenrechter is verder ook van oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, de toewijzing van de gevraagde voorziening vergt. De voorzieningenrechter motiveert dit als volgt.
2. Tussen partijen is niet in geschil dat uit door verzoeker aangehaalde bronnen (waaronder het AIDA-rapport van 23 februari 2022) blijkt dat Bulgarije zich schuldig maakt aan pushbacks. Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of deze bronnen concrete aanknopingspunten vormen om aan te nemen dat er ook pushbacks plaatsvinden bij Dublinclaimanten. In dit verband rijst de vraag of het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondeelbaar is.
3. De meervoudige kamer van deze rechtbank met zittingsplaats
‘s-Hertogenbosch heeft bij verwijzingsuitspraak van 15 juni 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:5724) aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) prejudiciële vragen gesteld over de vraag of het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondeelbaar is. De voorzieningenrechter is verder ambtshalve bekend met de omstandigheid dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op
14 december 2022 een zitting heeft gehouden over de vraag of verweerder ten aanzien van Polen nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, onder meer gelet op de signalen over pushbacks en het functioneren van de rechterlijke macht in dat land. Naar verluidt zal de Afdeling daarbij tevens stilstaan bij de vraag wat de hiervoor genoemde prejudiciële vragen inzake de (on)deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel betekenen voor de bij haar aanhangige zaken. De Afdeling zal naar verwachting (opnieuw) beoordelen of zij aanleiding ziet om de voorliggende Dublin-Polen zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het HvJ EU. Hoewel deze uitspraak Polen betreft, zal de beantwoording hiervan tevens van belang zijn voor de zaak van verzoeker.
4. Gelet op het voorgaande kan op voorhand niet worden geoordeeld dat het beroep van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft. De gevraagde voorziening wordt dan ook toegewezen. Dit komt in feite neer op het bevriezen van de status quo bij wijze van ordemaatregel, zonder dat daarbij op enigerlei wijze vooruitgelopen wordt op de uitkomst van de bodemprocedure. Het niet treffen van de gevraagde voorziening daarentegen kan leiden tot een situatie waarin verzoeker kan worden overgedragen, terwijl de rechtbank zich nog niet heeft uitgelaten over de in geschil zijnde vragen. De voorzieningenrechter merkt in dat kader op dat de overdrachtstermijn in beginsel op korte termijn, namelijk op 27 januari 2023, verstrijkt en verweerder verzoeker voor het verstrijken van de overdrachtstermijn zou willen overdragen. Niet uitgesloten is dat die overdracht onomkeerbare gevolgen voor verzoeker kan hebben. Onder deze omstandigheden kent de voorzieningenrechter aan verzoekers belang, om de beslissing op zijn beroep hier te lande te mogen afwachten, doorslaggevend gewicht toe. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Bulgarije totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist. Door toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening wordt de overdrachtstermijn gestuit.
5. De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,00, (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 837,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Bulgarije totdat is beslist op het beroep;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 837,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.A. Van de Voorde, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 januari 2023
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.