Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
artikel 66a, eerste dan wel tweede lid, Vween inreisverbod is opgelegd”. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige gronden niet heeft betwist en de rechtbank overweegt dat verweerder de overige gronden terecht aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. De gronden die terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, kunnen de maatregel in beginsel dragen.
énverbalisant de Engelse taal voldoende spreken. In het vertrekgesprekverslag is vermeld dat het gesprek gevoerd is in de Engelse taal, welke betrokkene in voldoende mate beheerst. Ook ten aanzien van deze mededeling van de regievoerder heeft de rechtbank geen aanwijzingen dat deze niet juist is. Dat de Engelse taal niet de moedertaal van eiser is en dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel en ter zitting wel gesproken heeft via een tolk in de Arabische taal betekent niet dat sprake is van gebreken die de maatregel onrechtmatig maken.
concrete feiten en omstandighedenin de betreffende procedure en kan niet worden uitgegaan van een bepaald aantal dagen die in elke procedure als maatstaf kan worden aangelegd. De maatregel is opgelegd op 2 maart 2023 en op 15 maart 2023 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden. Eiser is in bewaring gesteld op de zogenoemde “asielgrondslag”. De rechtbank betrekt het vertrekgesprek niet bij de beoordeling of verweerder voldoende voortvarend handelt omdat eiser op dit moment geen vertrekplicht heeft. In het verslag van dit vertrekgesprek is weergegeven dat eiser is gevraagd of hij bereid is medewerking te verlenen aan terugkeer als zijn asielaanvraag wordt afgewezen en dat aan eiser wordt geadviseerd om serieus na te denken over zijn toekomst en daarbij rekening te houden met een asielafwijzing. De rechtbank merkt dit gesprek, ondanks dat aan eiser ook uitleg is gegeven over “de bewaring, de vertrekprocedure en de asielprocedure”, niet aan als een handeling waaruit blijkt dat de asielaanvraag van eiser met de nodige voortvarendheid plaatsvindt. Op 20 maart 2023 was het gehoor over de asielmotieven van eiser gepland, welk gehoor geen doorgang heeft gevonden omdat eiser blijkens het verslag van niet verschijnen met niemand wilde spreken. Eiser zal, zoals door verweerder ter zitting desgevraagd is toegelicht, een aantal dagen na de behandeling ter zitting wederom worden uitgenodigd om zijn asielmotieven kenbaar te maken en toe te lichten. Dit betekent dat verweerder eerst op 20 maart 2023 de eerste handeling heeft verricht in de asielprocedure, terwijl eiser op 2 maart 2023 in bewaring is gesteld. De rechtbank overweegt dat, gelet op de concrete feiten en omstandigheden, in deze procedure eerst op de 18e dag na de inbewaringstelling de eerste handeling die ziet op de behandeling van de asielaanvraag heeft plaatsgevonden, maar verweerder desondanks niet onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit de aanbiedingsbrief blijkt dat eiser voedsel en vocht heeft geweigerd en verweerder eiser op 5 maart 2023 heeft geplaatst in het JCvSZ en op 14 maart 2023 heeft teruggeplaatst. Op 12 maart 2023 heeft in het JCvSZ een gesprek plaatsgevonden tussen het Calamiteiten-team en eiser, op 15 maart 2023 heeft bovengenoemd (vertrek-)gesprek plaatsgevonden en op 20 maart 2023 is eiser in de gelegenheid gesteld om zijn asielmotieven toe te lichten. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder prioriteit heeft gegeven aan het bieden van passende zorg aan eiser en die prioritering is, naar het oordeel van de rechtbank, terecht waarbij de rechtbank overweegt dat de voedsel- en vochtweigering niet zonder meer betekent dat de maatregel moe(s)t worden opgeheven. Dit is, naar het oordeel van de rechtbank, onder meer afhankelijk van de vraag hoe lang de vreemdeling bijzondere zorg behoeft en hoe lang de vreemdeling vanwege de opname en zijn gezondheid niet kan worden gehoord. De maximale duur waarop de vreemdeling op de asielgrondslag in bewaring kan worden gehouden is hierbij niet zonder meer de duur dat de bewaring mag voortduren. Ook deze beoordeling zal moeten worden verricht op basis van concrete feiten en omstandigheden De rechtbank concludeert dan ook, na een ambtshalve beoordeling, dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld en voldoende voortvarendheid betracht.
3. In grief 2 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij haar stelling wel degelijk heeft onderbouwd. Zij heeft in beroep namelijk aangevoerd dat het JCvSZ geen inrichting voor bewaring is als bedoeld in artikel 16 van Pro de Terugkeerrichtlijn en dat zij daar is opgesloten samen met mensen die strafbare feiten hebben gepleegd. Zij heeft hierbij ook verwezen naar de website van de Dienst Justitiële Inrichtingen. De uitspraak van de rechtbank is daarom onvoldoende gemotiveerd, aldus de vreemdeling.
- De persoon heeft geen contact met strafrechtelijk gedetineerde patiënten.
- De persoon gaat gescheiden luchten van strafrechtelijk gedetineerde patiënten
- De persoon heeft niet gelijktijdig bezoek met strafrechtelijk gedetineerde patiënten
- Wanneer de persoon de verblijfsruimte verlaat zijn de overige patiënten ingesloten.
- Wanneer de persoon de afdeling verlaat worden verplaatsingen van gedetineerde patiënten stilgelegd om contactincidenten te voorkomen.
- Bij een eventueel transport naar een externe locatie door DV&O wordt bij de aanvraag melding gemaakt van de status van de persoon zodat er geen gedetineerden gelijktijdig in hetzelfde voertuig worden vervoerd.
- Bij een eventueel transport naar een externe locatie wordt de persoon niet geboeid tijdens dit transport.
- De vervoerder wordt door de huismeester/blauwe lijn op de hoogte gesteld van de status van de persoon
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.