Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1. Voor bewaring wordt in de regel gebruik gemaakt van speciale inrichtingen voor bewaring. Indien een lidstaat de onderdanen van een derde land die in bewaring worden gehouden, niet kan onderbrengen in een gespecialiseerde inrichting voor bewaring en gebruik dient te maken van een gevangenis, worden zij gescheiden gehouden van de gewone gevangenen.
2. De in bewaring gestelde onderdanen van derde landen wordt op verzoek toegestaan te gelegener tijd contact op te nemen met wettelijke vertegenwoordigers, familieleden en bevoegde consulaire autoriteiten.
3. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de situatie van kwetsbare personen. In dringende medische zorg en essentiële behandeling van ziekte wordt voorzien.
4. Relevante en bevoegde nationale, internationale en niet-gouvernementele organisaties en instanties hebben de mogelijkheid de in lid 1 bedoelde inrichtingen voor bewaring te bezoeken, voor zover zij dienen voor de bewaring van onderdanen van derde landen overeenkomstig dit hoofdstuk. Het bezoek kan afhankelijk worden gesteld van toestemming.
5. De in bewaring gestelde onderdanen van derde landen krijgen stelselmatig informatie over de regels die in de inrichting gelden en over hun rechten en plichten. Hiertoe behoort ook informatie over het in de nationale wetgeving vastgelegde recht om contact op te nemen met de in lid 4 bedoelde organisaties en instanties.
(…)
een gespecialiseerde inrichting” voor vreemdelingenbewaring en “
de omstandigheden van bewaring”, dus de tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring, in het DTC in beginsel verenigbaar kunnen worden geacht met het Unierecht.
(…)
86. Wat betreft het recht op vrijheid, dat gewaarborgd wordt door artikel 6 van Pro het Handvest, mag het recht op effectieve rechterlijke bescherming geen mazen of blinde vlekken vertonen. Hoewel de omvang van dit laatste recht verschilt naargelang van de specifieke context en de specifieke omstandigheden van elke zaak, met name de aard van de betrokken handeling, de context van de vaststelling ervan en de rechtsregels die de betrokken materie beheersen(40), ben ik van mening dat aangezien het recht op vrijheid op het spel staat, het recht op effectieve rechterlijke bescherming rigoureus en strikt moet worden gewaarborgd, door een – qua omvang en intensiteit – volledige toetsing van de rechtmatigheid van de vrijheidsbenemende maatregelen mogelijk te maken. Deze elementen pleiten er mijns inziens voor dat de problematiek van de ambtshalve toetsing door de nationale rechterlijke instanties van rechtsgronden die worden ontleend aan schending van het Unierecht, aldus wordt benaderd dat specifiek moet worden nagegaan of het recht op vrijheid mogelijk wordt geschonden.
(…)
91. Ik ben van mening dat het in strijd zou zijn met zowel de wezenlijke inhoud van het in artikel 47 van Pro het Handvest gewaarborgde recht op effectieve rechterlijke bescherming dat een persoon in bewaring moet genieten, als de uit artikel 6 van Pro het Handvest voortvloeiende bescherming van die persoon tegen willekeurige detentie, wanneer een rechterlijke instantie niet in staat zou zijn een dergelijke persoon in vrijheid te stellen, terwijl zij op grond van de haar ter beschikking staande gegevens vaststelt dat die detentie onrechtmatig is. Elke andere uitlegging zou een leemte veroorzaken in de bescherming tegen willekeurige detentie, wat niet in overeenstemming zou zijn met het belang van de individuele vrijheid in een democratische samenleving.
92. De omstandigheid dat een rechter enkel kan ingaan op de rechtsgronden en argumenten die voor hem zijn aangevoerd, zonder dat hij deze ambtshalve kan aanvullen, kan immers tot gevolg hebben dat een persoon in bewaring wordt gesteld en gehouden, terwijl niet aan de voorwaarden voor die bewaring is voldaan. Uit verschillende bepalingen van afgeleid Unierecht, die concreet gestalte geven aan het door artikel 47 van Pro het Handvest gewaarborgde recht op effectieve rechterlijke bescherming en aan de uit artikel 6 van Pro het Handvest voortvloeiende bescherming tegen willekeurige bewaring, vloeit echter voort dat wanneer de bewaring onrechtmatig of niet langer gerechtvaardigd is onmiddellijke invrijheidstelling geboden is. (…)
93. Doordat de aangezochte rechter niet ambtshalve bepaalde rechtsgronden en argumenten kan aanvoeren, kunnen de door de Nederlandse regering aangevoerde procedurele waarborgen mijns inziens niet volledig verhinderen dat tegen een persoon een maatregel van bewaring wordt genomen of voortgezet, terwijl niet is voldaan aan de voorwaarden voor een dergelijke maatregel, hetgeen rechtstreeks indruist tegen de zojuist door mij aangehaalde bepalingen van afgeleid Unierecht, die moeten worden uitgelegd in overeenstemming met de door het Handvest beschermde grondrechten.
94. (…) Hieruit volgt dat de daadwerkelijke rechterlijke bescherming van een derdelander die een dergelijke maatregel ondergaat, niet is gewaarborgd wanneer de rechter die de rechtmatigheid van die maatregel moet toetsen, hem op grond van een nationale procedureregel niet in vrijheid kan stellen, ook al stelt hij op basis van de hem voorgelegde elementen vast dat er geen geldige reden voor de bewaring kan worden gevonden. Bovendien kan de toepassing van een dergelijke procedureregel in het kader van bewaring afbreuk doen aan de volle werking van de algemene en abstracte regels tot vaststelling van de voorwaarden en modaliteiten van de bewaring, doordat de betrokken derdelanders het genot wordt ontnomen van de rechten die zij aan die regels ontlenen.
(…)
97. Er zij overigens op gewezen dat de rechter de hoeder is van de individuele vrijheid. Bijgevolg lijkt een regeling waarbij de bevoegde administratieve autoriteit de voorwaarden voor bewaring aan een uitputtend onderzoek moet onderwerpen, terwijl de rechter die de rechtmatigheid van een dergelijke maatregel moet toetsen, niet over een dergelijke ruime bevoegdheid beschikt, onevenwichtig en niet geschikt om te waarborgen dat de derdelander een effectieve rechterlijke bescherming geniet. Het staat aan de rechter en niet aan deze bestuurlijke autoriteit om het laatste woord te hebben over de vraag of een maatregel van inbewaringstelling of voortgezette bewaring voldoet aan de bij wet gestelde dwingende voorwaarden.
98. Uit het voorgaande volgt dat wanneer een rechter de rechtmatigheid van de inbewaringstelling of van de voortduring van de bewaring van een derdelander moet toetsen, hij moet nagaan of de algemene en abstracte regels voor de voorwaarden en procedures daarvoor zijn nageleefd. Door deze toetsing te beperken tot de rechtsgronden en argumenten die door de verzoeker zijn aangevoerd, is de toepassing van artikel 8:69 Awb Pro in de context van de toetsing van de rechtmatigheid van een bewaringsmaatregel, naar mijn mening onverenigbaar met het Unierecht, aangezien zulks indruist tegen het doeltreffendheidsbeginsel.
(…)
33 Ter beantwoording van deze vraag moet in de eerste plaats het begrip „speciale inrichting voor bewaring” in de zin van artikel 16 van Pro richtlijn 2008/115 worden uitgelegd. Artikel 16 noch Pro enige andere bepaling van richtlijn 2008/115 definieert wat onder dit begrip moet worden verstaan. (…)
(…)
36 Uit de bewoordingen van artikel 16, lid 1, van die richtlijn volgt ook dat de speciale inrichtingen voor bewaring zich onderscheiden van gevangenissen, wat impliceert dat de omstandigheden van bewaring in deze inrichtingen bepaalde specifieke kenmerken moeten vertonen in vergelijking met de normale omstandigheden van tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in gevangenissen.
(…)
45 Uit de punten 34 tot en met 44 van het onderhavige arrest volgt dat een „speciale inrichting voor bewaring” in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/115 wordt gekenmerkt door een inrichting en uitrusting van de accommodaties en door een organisatorische en operationele regeling die de aldaar in bewaring gestelde illegaal verblijvende derdelander kan dwingen om permanent op een beperkt en afgesloten terrein te blijven, waarbij deze verplichting evenwel beperkt blijft tot hetgeen strikt noodzakelijk is voor de doeltreffende voorbereiding van zijn verwijdering. Bijgevolg moeten de in een dergelijke inrichting geldende bewaringsomstandigheden van dien aard zijn dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat de bewaring van de derdelander gelijkstaat aan detentie in een gevangenisomgeving, zoals kenmerkend is voor penitentiaire detentie.
46 Verder moeten de omstandigheden van bewaring zodanig zijn dat zowel de door het Handvest gewaarborgde grondrechten als de rechten die zijn verankerd in artikel 16, leden 2 tot en met 5, en artikel 17 van Pro richtlijn 2008/115 worden geëerbiedigd.
(…)
48 Tegen deze achtergrond moet erop worden gewezen dat het aan de verwijzende rechter staat om, rekening houdend met alle relevante aspecten en na een algehele beoordeling daarvan, te bepalen of de plaats en de omstandigheden van in het hoofdgeding aan de orde zijnde bewaring, in hun geheel beschouwd, geschikt zijn voor een krachtens artikel 15 van Pro richtlijn 2008/115 gelaste bewaring.
(…)
63 Voorts zou het in strijd zijn met de wezenlijke inhoud van het in artikel 47 van Pro het Handvest gewaarborgde recht op effectieve rechterlijke bescherming indien geen enkele rechterlijke instantie zou mogen nagaan of een besluit waarbij een bewaring op grond van richtlijn 2008/115 wordt gelast, in overeenstemming is met de rechten en vrijheden die door het Unierecht worden gewaarborgd aan illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelanders (zie in die zin arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendeszeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság, C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 290).
(…)
65 Daartoe moet die rechter uitspraak kunnen doen over alle feitelijke en juridische omstandigheden die van belang zijn om te bepalen of, naast het principe dat de betrokken derdelander in bewaring wordt gesteld, de afwijkende wijze waarop die bewaring zal plaatsvinden op grond van artikel 18 van Pro richtlijn 2008/115, gerechtvaardigd is. De rechter moet dus rekening kunnen houden met zowel de feitelijke omstandigheden en de bewijzen die zijn aangevoerd door de administratieve autoriteit die om bewaring in een gevangenis verzoekt, als de eventuele opmerkingen van de betrokken derdelander. Hij moet ook elke andere voor zijn beslissing relevante omstandigheid kunnen onderzoeken indien hij dat nodig acht. Daaruit volgt dat de bevoegdheden van de rechterlijke autoriteit in geen geval beperkt kunnen zijn tot louter de omstandigheden die door de betrokken administratieve autoriteit zijn aangevoerd (zie naar analogie arrest van 5 juni 2014, Mahdi, C‑146/14 PPU, EU:C:2014:1320, punt 62).
(…)
1. Op de website van het DJI is het volgende te lezen: “Het bestuursrechtelijke karakter van de maatregel is terug te zien in de wijze waarop de bewaring wordt uitgevoerd. In grote lijnen houdt het in dat intern zo veel mogelijk bewegingsvrijheid wordt geboden aan de ingeslotenen, maar wel met oog voor orde en veiligheid.”. Kunt u dit concretiseren? Op welke wijze verschilt de uitvoering van de maatregel van de tenuitvoerlegging van een straf of van een maatregel voorlopige hechtenis? Kunt u hierbij meer informatie verschaffen dan reeds te lezen is op de website van het DJI en het DTC Rotterdam?
2. Krijgen de PIW-ers een andere, dan wel, aanvullende opleiding indien zij worden ingezet voor de vreemdelingenbewaring? Hoe is dit geregeld voor leden van het IBT?
3. Gelden bij de tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring dezelfde regels als bij detentie op strafrechtelijke gronden voor verblijf in een eenpersoonskamer of meerpersoonskamer? Wordt verblijf in een eenpersoonskamer op verzoek toegestaan ook indien aan dit verzoek geen medische redenen of redenen die anderszins verband houden met de vreemdeling ten grondslag liggen. Waarom niet?
4. Hoe vaak wordt (gemiddeld) een disciplinaire straf opgelegd en hoe vaak geschiedt plaatsing in een strafcel?
5. Wordt in vreemdelingenbewaring terughoudender gebruik gemaakt van het opleggen van disciplinaire straffen dan bij detentie op strafrechtelijke grondslag?
6. Hoe vaak wordt (gemiddeld) een ordemaatregel opgelegd en hoe vaak geschiedt plaatsing in een observatiecel?
7. Kunnen de vreemdelingen indien zij wensen te bellen steeds gebruik maken van bijstand door een tolk?
8. Waarom is gebruik van internet door gedetineerden bij tenuitvoerlegging van de maatregelen vreemdelingenbewaring beperkt en welke regels gelden voor toegang tot internet?
9. Zijn er verschillen in de tenuitvoerlegging van de maatregel in de verschillende locaties waar de vreemdelingenbewaring ten uitvoer wordt gelegd?
10. Worden alle in bewaring gestelde vrouwen geplaatst in DTC Zeist? Krijgen in bewaring gestelde mannen een strikter dan wel ander regime dan vrouwen en zo ja, wat is hier de grondslag voor?
11. Hebben in bewaring gestelde mannen en in bewaring gestelde vrouwen dezelfde faciliteiten en een vergelijkbare ruimte wat betreft oppervlakte waar ze ’s nachts worden ingesloten?
12. Het European Committee for the Prevention of Torture heeft van 10 mei 2020 tot 25 mei 2022 Nederland bezocht en daarbij ook, volgens de eigen website, de drie centra waar de vreemdelingenbewaring ten uitvoer wordt gelegd bezocht. Heeft het CPT reeds de bevindingen kenbaar gemaakt?
Beslissing
mr.E.C.M. Boerboom - Akkermans, griffier.