Eiseres kreeg een voorschot huurtoeslag voor 2021 toegekend, dat door verweerder werd herzien naar nul vanwege een meerderjarige medebewoner zonder geldige verblijfstitel. Hierdoor moest eiseres het teveel ontvangen bedrag terugbetalen.
Eiseres voerde aan dat deze herziening in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel, omdat het onderscheid tussen medebewoners met en zonder rechtmatig verblijf niet gerechtvaardigd zou zijn. De rechtbank oordeelde dat het onderscheid een legitiem doel dient, namelijk het voorkomen dat illegaal verblijvende vreemdelingen profiteren van toeslagen.
De rechtbank stelde vast dat eiseres in de relevante periode een meerderjarige medebewoner zonder geldige verblijfstitel had en dat verweerder terecht het voorschot had herzien. Hoewel er sprake was van een motiveringsgebrek bij de belangenafweging over de terugvordering, werd dit gepasseerd omdat verweerder alsnog een belangenafweging had gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden waren om de terugvordering te matigen of af te zien, en dat eiseres de gevolgen van het niet-rechtmatig verblijf van haar medebewoner voor eigen rekening moest nemen. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.