ECLI:NL:RVS:2019:3536
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- N. Verheij
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvordering kinderopvangtoeslag 2010 wegens onevenredigheid en niet-toepassing hoofdelijke aansprakelijkheid
In deze zaak gaat het om de terugvordering van kinderopvangtoeslag over 2010 door de Belastingdienst/Toeslagen, waarbij appellante het voorschot van €34.566,00 terug moest betalen. De Belastingdienst stelde dat appellante verantwoordelijk bleef voor de terugbetaling, ook al waren de toeslagen via het gastouderbureau ontvangen en waren de betrokken derden strafrechtelijk veroordeeld.
De rechtbank oordeelde dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van derden niet van toepassing was op toeslagjaren vóór 2014 en dat appellante geen slachtoffer was van identiteitsfraude, waardoor geen aansprakelijkstelling van derden plaatsvond. Appellante stelde dat dit beleid onrechtmatig was en in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat artikel 33, derde lid, van de Awir niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast op toeslagjaar 2010 en dat de Belastingdienst discretionaire ruimte heeft om terugvordering te matigen op grond van artikel 26 Awir Pro in samenhang met artikel 3:4 Awb Pro. Vanwege de ernstige financiële gevolgen voor appellante, die slachtoffer is van strafbare feiten gepleegd door derden, acht de Afdeling onverkorte terugvordering onevenredig.
De Afdeling vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond en draagt de Belastingdienst op binnen 26 weken een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze overwegingen. Tevens wordt de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot terugvordering vernietigd en de Belastingdienst opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen 26 weken.