ECLI:NL:RBDHA:2023:3801

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2023
Publicatiedatum
23 maart 2023
Zaaknummer
NL23.6041
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 Vw 2000Art. 29 Vw 2000Art. 17 DublinverordeningArtikel 3 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, van Jemenitische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen op grond van de Dublinverordening, waarbij Duitsland als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen.

De rechtbank overweegt dat Nederland op 18 oktober 2022 een verzoek tot terugname van de asielaanvraag aan Duitsland heeft gedaan, dat op 19 oktober 2022 is aanvaard. Eiser stelt dat er systeemfouten zijn in de Duitse asielprocedure en opvang, en dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen het Nederlandse en Duitse beschermingsbeleid voor Jemenieten.

De rechtbank oordeelt dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Duitsland een reëel risico loopt op een schending van zijn rechten volgens het EVRM of EU-Handvest. Ook is geen grond voor toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid van Duitsland wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.6041

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Jemenitische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. Scholtmeijer),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft eiser een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer NL23.6042. Hierop zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland op 18 oktober 2022 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard op
19 oktober 2022.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe, onder herhaling en inlassing van de zienswijze, aan dat hij in bewijsnood verkeert aangaande
de systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Duitsland. Volgens eiser bestaat er een fundamenteel verschil in het beschermingsbeleid tussen Nederland en Duitsland ten aanzien van Jemenieten, omdat er volgens de Vreemdelingencirculaire 2000 sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000, terwijl in Duitsland volgens statistieken van het Bundesamt für Migration und Flüchtelinge twee derde van de aanvragen leidt tot een beschermingsstatus.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
Uitgangspunt is dat verweerder ten aanzien van Duitsland in het algemeen mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem in Duitsland dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van Pro het EU-Handvest.
4.2.
Eiser heeft dit met hetgeen hij in beroep naar voren heeft gebracht niet aannemelijk gemaakt. Meer in het bijzonder kan uit zijn betoog niet worden afgeleid dat op voorhand duidelijk is -dus zonder een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag- dat eiser op grond van het Duitse beleid geen internationale bescherming zou krijgen (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1864).
4.3.
In hetgeen is aangevoerd wordt evenmin grond gezien voor het oordeel dat verweerder toepassing moet geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening en de asielaanvraag van eiser zelf dient te behandelen.
5. Het beroep is kennelijk ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.