Verzoeker, een Russische asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van het asielverzoek.
Tussen partijen staat vast dat Kroatië zich schuldig heeft gemaakt aan pushbacks, maar onenigheid bestaat over de vraag of dit nog steeds gebeurt en of dit ook geldt voor Dublinclaimanten. Dit leidt tot de vraag of het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondeelbaar is. De rechtbank verwijst naar een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over dit onderwerp.
De voorzieningenrechter concludeert dat het beroep van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft en dat het niet treffen van de voorziening kan leiden tot onomkeerbare gevolgen. Daarom wordt het bestreden besluit geschorst en wordt verzoeker beschermd tegen overdracht aan Kroatië totdat op het beroep is beslist.
Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de verweerder tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 837,00. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.