ECLI:NL:RBDHA:2023:3998
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling neming asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende asielzoeker, heeft op 22 augustus 2022 asiel aangevraagd in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft zijn aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling, gelet op het feit dat eiser in het bezit was van een Schengenvisum afgegeven door Duitsland.
Eiser stelde dat Nederland de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich moest trekken vanwege zijn sterke familieband met een in Nederland verblijvende zus en vanwege medische en rechtsbijstand gerelateerde zorgen over Duitsland. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Duitsland is doorbroken of dat overdracht aan Duitsland tot onmenselijke behandeling zou leiden.
De rechtbank stelde vast dat Duitsland dezelfde medische voorzieningen biedt als Nederland en dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij alleen in Nederland de benodigde medische zorg kan krijgen. Ook is onvoldoende bewijs geleverd dat de opvang in Duitsland ontoereikend is of dat eiser geen effectieve rechtsmiddelen heeft. De enkele verklaring van de zus is onvoldoende om de overdracht aan Duitsland te verhinderen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om de asielaanvraag in Nederland te behandelen af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.