Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 maart 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
de minister van Algemene Zaken, verweerder
Inleiding
mr. A. Holtland en mr. C.L. Hennink .
Rechtbank Den Haag
Eiseres verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van alle notulen van de ministerraad over de periode van november 2012 tot januari 2021 met betrekking tot de kinderopvangtoeslagenaffaire. Verweerder, de minister van Algemene Zaken, weigerde dit verzoek integraal op basis van de geheimhoudingsplicht die rust op de notulen van de ministerraad, zoals vastgelegd in artikel 10 en Pro 11 van de Wob en het Reglement van orde voor de ministerraad.
De rechtbank overwoog dat verweerder een juiste belangenafweging had gemaakt tussen het belang van openbaarmaking en het belang van het ongestoord functioneren van de ministerraad. De geheimhouding is essentieel voor de eenheid van het regeringsbeleid en de vrije uitwisseling van gedachten binnen de ministerraad. De maatschappelijke impact van de toeslagenaffaire en het belang van transparantie wegen niet zwaarder dan dit belang.
Verder stelde de rechtbank vast dat de notulen documenten betreffen die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevatten, waardoor ook artikel 11 van Pro de Wob van toepassing is. De eerder openbaar gemaakte notulen aan de parlementaire ondervragingscommissie vormen een eenmalige uitzondering en rechtvaardigen geen bredere openbaarmaking.
De rechtbank vond het niet noodzakelijk om alle notulen in te zien omdat de motivering van verweerder voldoende was en de openbaar gemaakte notulen geen afwijkend beeld gaven. Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat verweerder het verzoek tot openbaarmaking terecht heeft geweigerd en eiseres geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot openbaarmaking van de notulen wordt terecht geweigerd.