ECLI:NL:RBDHA:2023:4023
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijk risico op nieuwe bedreiging door ELN
Eiser, een Colombiaanse nationaliteit dragende asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van asiel vanwege bedreigingen door leden van de ELN in 2020 en opnieuw in 2022. Hij stelde dat hij vanwege deze bedreigingen en zijn aangifte hiervan in het nationale slachtofferregister bescherming nodig had.
Verweerder erkende de geloofwaardigheid van de bedreiging in 2020, maar achtte de dreiging in 2022 ongeloofwaardig en vond het niet aannemelijk dat eiser in de toekomst opnieuw een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de bedreiging in 2022 ongeloofwaardig achtte, onder meer omdat eiser ondanks de bedreiging in dezelfde plaats bleef wonen en werken en omdat het onwaarschijnlijk is dat leden van ELN na ruim twee jaar nog actief op zoek zouden zijn.
Eiser trok enkele beroepsgronden in en stelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met zijn vermoeidheidsklachten, hetgeen de rechtbank niet volgde. Ook werd het beroep ongegrond verklaard omdat eiser onvoldoende onderbouwde waarom hij bij terugkeer in Colombia in bijzondere aandacht zou komen te staan.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit van 9 november 2022, waarin de asielaanvraag werd afgewezen, terecht was en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.