ECLI:NL:RBDHA:2023:4168

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 maart 2023
Publicatiedatum
28 maart 2023
Zaaknummer
NL22.18671
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbTijdelijke wet opschorting dwangsommen IND
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij inwilliging asielaanvraag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 4 juli 2021. Tijdens de procedure heeft verweerder de asielaanvraag alsnog ingewilligd, waardoor het beroep in zoverre zijn doel heeft verloren en het procesbelang ontbreekt.

Eiser handhaaft het beroep met het oog op de vraag of dwangsommen zijn verbeurd. De rechtbank oordeelt dat de rechterlijke dwangsom niet aan de orde is omdat verweerder inmiddels heeft beslist. Daarnaast sluit de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen in asielzaken de mogelijkheid van een bestuurlijke dwangsom uit.

Daarom is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €418,50, omdat eiser door het niet tijdig beslissen terecht beroep heeft kunnen instellen.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €418,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.18671

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder(gemachtigde: mr. N. Krasniqi).

Procesverloop

Eiser heeft op 18 september 2022 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 4 juli 2021.
Verweerder heeft bij verweerschrift van 4 oktober 2022 medegedeeld dat hij bereid is de proceskosten voor het indienen van de beroepen in onderhavige procedure te vergoeden tot een bedrag van € 379,50.
Bij besluit van 10 november 2022 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd.
Desgevraagd heeft eiser meegedeeld het beroep te handhaven met het oog op de vraag of verweerder dwangsommen heeft verbeurd.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat met de inwilliging van deze aanvraag aan het beroep is tegemoetgekomen zodat eiser gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft.
2. De rechtbank begrijpt reacties van eiser van 1 en 8 december 2022 op het inwilligende besluit aldus dat hij zich op het standpunt stelt dat een bestuurlijke dwangsom moet worden vastgesteld (artikel 8:55c van de Awb) en een rechterlijke dwangsom (artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb) moet worden opgelegd.
3. In het geval van eiser heeft verweerder gedurende de beroepsprocedure (inwilligend) op de asielaanvraag beslist. De rechterlijke dwangsom is daarom niet aan de orde.
4. De Tijdelijke wet [2] sluit uit de mogelijkheid tot het verbeuren van een bestuurlijke dwangsom in asielzaken uit. De Afdeling [3] heeft bij uitspraak van 30 november 2022 [4] geoordeeld dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de Tijdelijke wet op dit punt onverbindend moet worden geacht wegens strijd met het Unierecht.
5. Nu artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet in dit geval de mogelijkheid van een bestuurlijke dwangsom uitsluit, kan eiser met het beroep niet bereiken wat hij wil, zodat ook in zoverre het procesbelang ontbreekt.
6. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Omdat eiser vanwege het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag beroep heeft kunnen instellen, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Het door verweerder aangeboden bedrag is gebaseerd op het Bpb [5] zoals dat gold in 2022, maar het Bpb is inmiddels gewijzigd. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is omdat het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Besluit proceskosten bestuursrecht.