ECLI:NL:RBDHA:2023:4290

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 februari 2023
Publicatiedatum
29 maart 2023
Zaaknummer
AWB 22/4697, AWB 22/4699 en AWB 22/4700
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens overlijden en ontbreken procesbelang in verblijfsvergunningzaak

Eiser heeft beroep ingesteld tegen besluiten tot intrekking van zijn verblijfsvergunning en afwijzing van verlenging daarvan. Na het overlijden van eiser op 18 december 2022 is de vraag gerezen of het beroep nog ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang.

De rechtbank overweegt dat het belang bij het beroep persoonlijk is en door het overlijden niet meer kan worden bereikt. Het louter formele belang bij vergoeding van proceskosten door de erfgenaam wordt niet als voldoende procesbelang aangemerkt. De discussie over het erfgenaamschap van de echtgenote is niet relevant voor de ontvankelijkheid.

Daarom verklaart de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk en komt zij niet toe aan inhoudelijke beoordeling. Ook het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de zaak niet langer spoedeisend is. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De beroepen en het verzoek om voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na overlijden eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 22/4697 (beroep), AWB 22/4699 (beroep) en AWB 22/4700 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 14 februari 2023 in de zaak tussen

[eiser en verzoeker], eiser/verzoeker (hierna: eiser),

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. B.A.A. Adonai- Ohachu),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: R.P.G.H. Belluz).

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van eiser met terugwerkende kracht vanaf 16 november 2016 ingetrokken.
Bij besluit van 24 januari 2020 (het primaire besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning afgewezen.
Bij afzonderlijke besluiten van 2 juli 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de besluiten van 2 juli 2021 beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 25 mei 2022 heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 2 juli 2021 gegrond verklaard en de besluiten vernietigd.
Bij afzonderlijke besluiten van 1 juli 2022 (de bestreden besluiten I en II) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten I en II beroep ingesteld (AWB 22/4697 en AWB 22/4699). Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (AWB 22/4700).
Bij brief van 4 januari 2023 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat uit het Brp [1] naar voren komt dat eiser op 18 december 2022 is overleden.
Bij brief van 16 januari 2023 heeft gemachtigde laten weten dat de echtgenote van eiser de procedures wenst voort te zetten.
De rechtbank heeft alleen de beroepen op 17 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Als gevolg van het overlijden van eiser ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er nog belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepen (het procesbelang).
2. Volgens vaste jurisprudentie is sprake van (voldoende) procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een beroepschrift met het indienen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor die indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. [2]
3. De gemachtigde van eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het procesbelang is gelegen in een vergoeding van de proceskosten. Hij legt uit dat hij namens eiser beroepschriften en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en dat de beroepen op zitting zijn behandeld. De vrouw van wijlen eiser zal deze kosten, als zijnde zijn erfgename, moeten dragen.
4. De rechtbank overweegt dat de beroepen zich richten tegen de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser en de afwijzing van de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van eiser. Dit is een zuiver persoonlijk belang van overleden eiser dat door het overlijden van eiser niet meer behaald kan worden.
5. Verder overweegt de rechtbank dat het belang bij een vergoeding van de proceskosten over de beroepsfase naar vaste jurisprudentie geen procesbelang oplevert dat een inhoudelijke beoordeling van het beroep rechtvaardigt. [3] Het overlijden van eiser is naar het oordeel van de rechtbank niet een omstandigheid om alsnog een proceskostenveroordeling uit te spreken. De discussie die ter zitting is gevoerd over de vraag of de echtgenote van wijlen eiser als rechtmatige erfgename kan worden aangemerkt, is dan ook niet relevant.
6. De rechtbank verklaart de beroepen vanwege het ontbreken van het procesbelang niet-ontvankelijk. De rechtbank komt dan ook niet toe aan het inhoudelijk beoordelen van de beroepen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
8. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit. [4]

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen gericht tegen de bestreden besluiten I en II niet- ontvankelijk.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2023.
griffier
(voorzieningen)rechter
De griffier is buiten staat te tekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Basisregistratie personen.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1396.
3.Zie uitspraken van de Afdeling van 4 april 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA2198) en van 15 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2068).
4.Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb en artikel 8:83, derde lid, van de Awb.