ECLI:NL:RBDHA:2023:4299

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 maart 2023
Publicatiedatum
29 maart 2023
Zaaknummer
NL22.21245
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbAlgemene wet bestuursrechtUitspraak rechtbank Den Haag 29 juli 2022, zaaknummer NL22.5460ECLI:NL:RVS:2022:1219
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken nieuwe feiten

Eiser heeft een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd om bij zijn partner te verblijven, maar deze aanvraag is door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat het een herhaalde aanvraag betrof zonder nieuwe feiten of omstandigheden.

De eerdere aanvraag was al afgewezen omdat eiser niet had aangetoond dat hij rechtmatig verblijf had buiten Nederland. Eiser stelde in beroep dat hij wel bestendig verblijf had in België en dat de staatssecretaris een zorgvuldigheidsgebrek had begaan door hem niet te horen in bezwaar.

De rechtbank overweegt dat nieuwe feiten of omstandigheden alleen relevant zijn als deze na het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet eerder konden worden aangevoerd. De door eiser overgelegde stukken, waaronder een registratie van verhuizing naar België, zijn onvoldoende om aan te tonen dat hij niet langer in Nederland verblijft.

De rechtbank concludeert dat er geen rechtens relevante nieuwe feiten zijn en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de herhaalde aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.21245

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Chamkh).

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag tot verlening van een mvv [1] voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij [referente] (hierna: referente) afgewezen.
Bij besluit van 18 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook was referente aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?
1. Eiser heeft een mvv-aanvraag ingediend om bij zijn partner (referente) te verblijven. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. Volgens verweerder is sprake van een herhaalde aanvraag zonder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden [2] .
De eerdere mvv-aanvraag met hetzelfde verblijfsdoel was bij besluit van 13 augustus 2021 afgewezen, omdat eiser in Nederland zou verblijven zonder rechtmatig verblijf. Eiser had volgens verweerder niet aangetoond dat hij bestendig verblijf had in België of Frankrijk. Eiser heeft tegen die afwijzing bezwaar gemaakt, maar dat bezwaar is ongegrond verklaard. Het door eiser ingestelde beroep daartegen is niet-ontvankelijk verklaard [3] . Die afwijzing is dus in rechte vast komen te staan.
Wat vindt eiser in beroep?
2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat er geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden. Eiser heeft namelijk verschillende stukken overgelegd om aan te tonen dat hij bestendig verblijf heeft in België. Volgens eiser is er een zorgvuldigheidsgebrek in de besluitvorming omdat hij al op 30 mei 2022 zijn verhuizing naar België heeft laten registreren. Ook had verweerder eiser moeten horen in bezwaar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Nieuwe feiten en omstandigheden
3. Het is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [4] dat onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere afwijzende besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Als hieraan is voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten voor die een – hernieuwde – inhoudelijke toetsing rechtvaardigen, wanneer op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. [5]
4. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiser heeft gesteld en heeft overgelegd niet als rechtens relevante nieuwe feiten of omstandigheden aangemerkt kan worden. Eiser heeft hiermee namelijk niet aangetoond dat hij feitelijk niet (langer) in Nederland verblijft. De door eiser overgelegde opgave van een verhuizing naar België is niet voldoende, nu daaruit niet volgt dat eiser daardoor niet langer stond ingeschreven in de Nederlandse Basisregistratie Personen (BRP). Ook de enkele wens van eiser, om op zijn bezwaarschrift te worden gehoord, vormt geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid.
Nu er geen sprake is van een rechtens relevante nieuwe feiten of omstandigheden, heeft verweerder het bezwaar op goede gronden ongegrond verklaard.
Wat is de conclusie?
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
3.De uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 juli 2022, zaaknummer NL22.5460.
4.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1219.