Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, betwistte de rechtmatigheid van zijn ophouding en de daaropvolgende maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Hij stelde dat uit het proces-verbaal niet bleek wanneer de ophouding was beëindigd, waardoor onrechtmatige vrijheidsbeneming zou hebben plaatsgevonden.
De rechtbank stelde vast dat uit het proces-verbaal duidelijk blijkt dat de ophouding op 9 februari 2023 om 12:07 uur is beëindigd, aansluitend aan de oplegging van de maatregel van bewaring. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland, waardoor de staatssecretaris bevoegd was de maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 op te leggen.
Eiser betwistte alleen de zware grond dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, maar de rechtbank oordeelde dat het indienen van een asielaanvraag niet betekent dat hij rechtmatig is binnengekomen. Tevens heeft eiser geen gevolg gegeven aan een eerder opgelegd terugkeerbesluit. De rechtbank vond de zware gronden voldoende voor de maatregel van bewaring.
Eiser voerde aan dat een lichter middel passend zou zijn, maar de rechtbank concludeerde dat eerdere lichtere maatregelen niet tot het gewenste vertrek hadden geleid en dat er een reëel risico is op onttrekking aan toezicht. Ambtshalve toetsing leidde niet tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.