ECLI:NL:RBDHA:2023:445

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2023
Publicatiedatum
19 januari 2023
Zaaknummer
NL22.11309
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L. Willems - Keekstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbTijdelijke wet opschorting dwangsommen INDArt. 47 EU Handvest
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvraag en inhoudelijke afwijzing dwangsom

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Op 25 oktober 2022 heeft de staatssecretaris alsnog een besluit genomen waarin de asielaanvraag is ingewilligd. Eiser handhaaft zijn beroep, dat zich deels richt tegen het niet tijdig beslissen en deels tegen het inhoudelijke besluit.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is, omdat inmiddels een besluit is genomen en eiser geen belang meer heeft bij beoordeling van dat deel van het beroep. Het beroep tegen het inhoudelijke besluit is ongegrond, omdat de staatssecretaris aan de aanvraag tegemoet is gekomen en het verweer dat een bestuurlijke dwangsom had moeten worden opgelegd faalt.

De rechtbank verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin is geoordeeld dat het uitsluiten van bestuurlijke dwangsommen niet in strijd is met EU-recht. Wel krijgt eiser een vergoeding van €418,50 voor proceskosten omdat de staatssecretaris niet tijdig heeft beslist. De staatssecretaris verzet zich hier niet tegen.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk, het beroep tegen het besluit ongegrond, en eiser krijgt een proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.11309

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

Inleiding

1. Eiser heeft op 16 juni 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
1.1
In het besluit van 25 oktober 2022 heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser ingewilligd.
1.2
Op 5 januari 2023 heeft eiser aangegeven het beroep te handhaven.
1.3
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
1.4
Partijen hebben toestemming gegeven uitspraak te doen zonder zitting. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De staatssecretaris heeft inmiddels een besluit op de asielaanvraag van eiser genomen. De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog een belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk.
3. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit op de asielaanvraag. [1] Eiser - zo begrijpt de rechtbank - kan zich niet met dit besluit verenigen, uitsluitend omdat in het besluit geen bestuurlijke dwangsom is vastgesteld. De staatssecretaris is verder geheel aan de aanvraag van eiser tegemoetgekomen.
3.1
Het betoog van eiser dat de staatssecretaris een bestuurlijke dwangsom had moeten vaststellen slaagt niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 30 november 2022 [2] geoordeeld dat artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, voor zover daarin het verbeuren van bestuurlijke dwangsommen wordt uitgesloten, niet in strijd is met het Unierechtelijk gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel en ook niet met artikel 47 van Pro het EU Handvest. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen. De staatssecretaris is daarom geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is, voor zover gericht tegen het besluit van 25 oktober 2022, ongegrond.
4.1
Eiser krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten omdat de staatssecretaris niet op tijd heeft beslist. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen en verzet zich daar overigens ook niet tegen blijkens het verweerschrift. De vergoeding bedraagt € 418,50 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit (wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 25 oktober 2022, ongegrond;
  • veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Willems - Keekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Lok, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.artikel 6:20 van Pro de Algemene wet bestuursrecht