ECLI:NL:RBDHA:2023:4933

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2023
Publicatiedatum
7 april 2023
Zaaknummer
NL22.18125, NL22.18126
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf gezinshereniging moeder Syrië

Eiseres, een staatloze Palestijnse moeder uit Syrië, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar zoon in Nederland te verblijven. De zoon heeft sinds 2020 een asielstatus en woont met zijn gezin in Nederland. De aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen wegens het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar zoon.

Eiseres betoogde dat zij afhankelijk is van de zorg van haar zoon en dat er geen reële zorgalternatieven in Syrië zijn, maar de staatssecretaris handhaafde het besluit. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheid bestaat, mede omdat twee dochters in Syrië feitelijk voor eiseres zorgen.

De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro is volgens de rechtbank niet onredelijk in het nadeel van eiseres uitgevallen. De rechtbank wijst het beroep af en verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, omdat er geen connexiteit meer bestaat.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.18125 (beroep) en NL22.18126 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer/voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres], eiseres

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. P. Scholtes),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.R. Scholtens).

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de beperking ‘verblijf bij familie- of gezinslid’ van eiseres afgewezen.
Bij besluit van 8 september 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep (NL22.18125) ingesteld. Ook heeft eiseres de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening (NL22.18126) te treffen.
Verweerder heeft op 28 februari 2023 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 maart 2023 op zitting behandeld. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Referent is ook op de zitting verschenen, bijgestaan door de tolk mevrouw M. Chakes.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres is een staatloze Palestijnse en stelt geboren te zijn op [geboortedag] 1957. Eiseres is weduwe en wenst verblijf in Nederland bij haar zoon, de heer [A] (referent), die ook staatloos Palestijn is en sinds 2020 een asielstatus heeft in Nederland. Referent is getrouwd met mevrouw [B] (de echtgenote), met wie hij samen een minderjarige zoon heeft, [C] (het minderjarige kind). Bij afzonderlijk besluit van 13 augustus 2021 zijn aan de echtgenote en het minderjarige kind een mvv nareis verleend. Zij zijn Nederland inmiddels ingereisd en wonen samen met referent.
Wat heeft verweerder besloten?
2. Verweerder heeft de afwijzing van de mvv-aanvraag bij het bestreden besluit gehandhaafd, omdat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent. Hoewel verweerder wel hechte persoonlijke banden tussen eiseres en het minderjarige kind aanneemt, valt de integrale belangenafweging die verweerder vervolgens heeft gemaakt tussen het recht op gezinsleven van eiseres enerzijds en de belangen van de Nederlandse staat anderzijds in het nadeel van eiseres uit.
Wat vinden eiseres en verweerder in beroep?
3. Eiseres voert in beroep aan verweerder ten onrechte geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent heeft aangenomen. Eiseres heeft namelijk altijd bij referent en zijn gezin in huis hebben gewoond en was in die periode van samenwoning al langere tijd afhankelijk van de zorg door referent, zoals blijkt uit het overgelegde stuk van de behandelend neurochirurg. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte aangenomen dat de twee dochters van eiseres die in Syrië wonen de zorg voor eiseres kunnen dragen. Eiseres heeft namelijk met schriftelijke verklaringen van de twee zussen onderbouwd dat zij niet bereid zijn om de gevraagde zorg te verlenen. Ten tweede voert eiseres aan dat verweerder de belangenafweging in het kader van het recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM [1] ten onrechte in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen. Verweerder heeft daarbij – gelet op de humanitaire situatie in Syrië - onvoldoende gewicht toegekend aan de gezondheidsproblemen van eiseres en – gelet op een uitspraak [2] van de hoogste vreemdelingenrechter – ook onvoldoende gewicht toegekend aan de samenwoning tussen eiseres en referent.
4. Verweerder heeft gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk en overweegt daartoe als volgt.
Meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie
5.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geoordeeld dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank alle door eiseres in bezwaar kenbaar gemaakte feiten en omstandigheden in zijn beoordeling betrokken. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat niet met stukken is aangetoond dat eiseres voor de zorg die zij nodig heeft uitsluitend is aangewezen op referent. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres nog twee dochters in Syrië heeft wonen die sinds maart 2022 de feitelijke zorg over eiseres dragen. Dat de dochters schriftelijk hebben verklaard dat eiseres ongewenst is in hun gezinnen, maakt dit niet anders. Uit deze verklaringen blijkt immers niet dat de dochters daadwerkelijk niet in staat zijn om de zorg voor eiseres te leveren. De enkele onwil van de dochters of hun echtgenoten om bij te dragen in de verzorging van eiseres is onvoldoende om aan te nemen dat er geen sprake is van reële alternatieven voor de zorg in Syrië. Voorts heeft verweerder mogen meewegen dat de financiële band tussen eiseres en referent ook op afstand kan worden voortgezet. Het bovenstaande in acht nemende heeft verweerder het feit dat referent en zijn gezin met eiseres hebben samengewoond onvoldoende mogen vinden om een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aan te nemen tussen eiseres en referent en tussen eiseres en de echtgenote van referent. De beroepsgronden slagen niet.
Belangenafweging
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen. In tegenstelling tot hetgeen door eiseres wordt betoogd, heeft verweerder de gezondheidsklachten van eiseres, de samenwoning van eiseres met het gezin van referent en de objectieve belemmering voldoende in de belangenafweging betrokken. Verweerder heeft in de belangenafweging in het nadeel van eiseres mogen betrekken dat uit de stukken blijkt dat eiseres toegang heeft tot de medische zorg in Syrië en dat niet gebleken is dat zij voor deze zorg uitsluitend is aangewezen op verzorging door referent in Nederland. Verder heeft verweerder mogen meewegen dat de samenwoning van eiseres met referent en zijn gezin in Syrië en Libanon nog niet maakt dat zij deze situatie ongewijzigd in Nederland kan worden voortgezet, nu artikel 8 van Pro het EVRM geen recht geeft op vrije domiciliekeuze. Het beroep op de aangehaalde uitspraak [3] van de hoogste vreemdelingenrechter van 28 januari 2020, maakt dit oordeel niet anders, omdat deze uitspraak ziet op de omstandigheid dat het al dan niet samenwonen van de vreemdeling en referent niet betrokken was in het primaire en het bestreden besluit, hetgeen hier niet aan de orde is. Daarnaast heeft verweerder in het nadeel van eiseres mogen meewegen dat sprake is van een eerste toelating, dat referent zijn financiële steun aan eiseres vanuit Nederland kan voortzetten en dat eiseres geen bijzondere binding met Nederland heeft. Verweerder heeft daarbij - anders dan eiseres stelt - ook het economisch belang in het nadeel van eiseres mogen laten wegen. Verweerder heeft in dat kader mogen betrekken dat het aannemelijk is dat eiseres een zekere tijd ten laste zal komen van de openbare kas, mede gelet op haar (gestelde) medische problematiek en het gegeven dat referent op dit moment een uitkering ontvangt. Daarnaast is met de door eiseres overgelegde stukken waaruit zou blijken dat de broers van referent in staat zijn om financiële ondersteuning aan eiseres te bieden niet komen vast te staan dat zij die financiële ondersteuning ook daadwerkelijk zullen bieden.
De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de belangenafweging in redelijkheid in het nadeel van eiseres heeft kunnen laten uitvallen.
5.3
De twee uitspraken die op de zitting door de gemachtigde van eiseres zijn aangevoerd, maken het oordeel over de belangenafweging niet anders. Deze uitspraken zien namelijk op niet-vergelijkbare gevallen. In de uitspraak [4] van de zittingsplaats Haarlem was namelijk een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen referent en de vreemdeling aangenomen. Bovendien was in deze zaak vastgesteld dat er geen reële zorgalternatieven in het land van herkomst waren voor de vreemdeling. Deze omstandigheden ten voordele van de vreemdeling spelen in deze zaak niet. In de uitspraak [5] van de zittingsplaats Arnhem werd het beroep vervolgens gegrond verklaard, omdat de vreemdeling geen mogelijkheid was geboden om het al dan niet voldoen aan het middelenvereiste met stukken te onderbouwen. Daarvan is in onderhavig geval geen sprake. Het beroep op de aangevoerde uitspraken slaagt niet.
6. Alles bij elkaar in samenhang bezien heeft verweerder op goede gronden geoordeeld dat geen sprake is van beschermwaardig familieleven tussen eiseres en referent en zijn gezin. De afwijzing van de mvv is niet in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM.
Wat is de conclusie?
7. Het beroep is ongegrond.
8. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van de vereiste connexiteit. [6]
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U ziet deze datum hierboven.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen verzet of hoger beroep mogelijk.

Voetnoten

1.Europese Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:241, specifiek rechtsoverweging 4.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:241, specifiek rechtsoverweging 4.
4.Zie de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 4 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:2984.
5.Zie de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem van 24 februari 2021, ECLI:NL:RBHDA:2021:1625.
6.Op grond van artikelen 8:81 en 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).