Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
8 september 2016 namens eisers de aanvraag waar het in deze procedure om gaat, ingediend. Eisers baseren hun aanvraag op artikel 8 van Pro het EVRM. [1] Verweerder heeft het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag na de twee eerdere procedures nu voor de derde keer ongegrond verklaard.
Verweerder heeft vervolgens op basis van de genoemde omstandigheden aangenomen dat sprake was van zodanige elementen van afhankelijkheid tussen eisers en hun zoon dat hun familieleven onder het bereik van de bescherming van artikel 8 van Pro het EVRM valt. Deze omstandigheden spelen echter ook een rol bij de vraag of verblijf moet worden toegestaan. Volgens vaste jurisprudentie van EHRM [3] is dat immers afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van de betrokkenen en het algemeen belang. Het EHRM noemt als factoren die daarbij in aanmerking genomen moeten worden de mate van doorbreken gezinsleven, de banden met het gastland, of er (objectieve) belemmeringen bestaan voor (één van de) gezinsleden om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen en of er overwegingen van het controleren van immigratie aan de orde zijn (zoals het overtreden hebben van immigratieregels) of openbare orde aspecten.
De beroepsgrond slaagt.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen vier weken na het openbaar uitspreken van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,-- (zegge: honderd euro) verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 10.000,-- (zegge: tienduizend euro)
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.050,- te betalen.
mr. S.L.L. van den Akker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
4 maart 2020.