ECLI:NL:RBDHA:2023:4939
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende economische binding en twijfel terugkeer Kenia
Eiseres, een Keniaanse nationaliteit houdende vrouw, vroeg een visum kort verblijf aan om Nederland te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag af omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en er twijfel bestond over het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren naar Kenia.
Eiseres voerde aan dat zij onvoldoende gelegenheid had gekregen om ontbrekende gegevens aan te vullen en dat zij met whatsappberichten en foto’s het verblijf had onderbouwd. Ook stelde zij dat het lastig was om economische binding met Kenia aan te tonen vanwege het ontbreken van huurovereenkomst en belastingaangifte, en dat de garantsteller betrouwbaar was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder een ruime beoordelingsruimte heeft bij het toetsen van de terugkeervraag en dat het op de aanvrager ligt om met objectief bewijs het voornemen tot terugkeer aannemelijk te maken. Eiseres had geen verifieerbare bewijsstukken over haar inkomen in Kenia aangeleverd en was financieel afhankelijk van de garantsteller. Daarom was er redelijke twijfel over haar terugkeer.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de dwingende weigeringsgrond van artikel 32 van Pro de Visumcode was vervuld. Andere beroepsgronden werden niet verder behandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van economische binding en twijfel over terugkeer.