In deze bestuursrechtelijke zaak stelde het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een dwangsom van €46,- vast wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Eiser betoogde dat deze dwangsom te laag was vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat het bestuursorgaan de dwangsom onjuist had vastgesteld en vernietigde het bestreden besluit.
De rechtbank stelde vervolgens zelf de juiste dwangsom vast op €1.442,-, conform de wettelijke regels die een oplopend dagtarief hanteren voor maximaal 42 dagen. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over het restantbedrag van €1.396,- vanaf twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was tot de dag van volledige voldoening.
Verzoeken van eiser tot vergoeding van griffierechten en proceskosten werden afgewezen, evenals het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat de termijn van minder dan twee jaar niet was overschreden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting, omdat het beroep kennelijk gegrond was.