Appellant ontving een WAO-uitkering die door het UWV werd stopgezet over de periode 1 januari 2012 tot 1 januari 2013 vanwege inkomsten uit arbeid. Het bezwaar van appellant tegen deze stopzetting werd aanvankelijk ongegrond verklaard, waarna appellant beroep instelde bij de rechtbank en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Het UWV heeft later bij een nieuw besluit het bezwaar alsnog gegrond verklaard en de uitbetaling van de WAO-uitkering over de betreffende periode hervat. De rechtbank had het beroep van appellant tegen het eerste besluit ongegrond verklaard, maar nu het UWV het bezwaar geheel heeft gehonoreerd, kan de eerdere uitspraak niet in stand blijven.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt daarom de aangevallen uitspraak en het besluit van 8 mei 2014, verklaart het beroep gegrond en wijst een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. De totale procedure duurde ruim vier jaar, waarbij de redelijke termijn met bijna drie maanden werd overschreden, wat leidt tot een vergoeding van € 500,-.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten aan appellant, waaronder verletkosten voor het bijwonen van diverse zittingen en rechtsbijstandkosten, totaal € 1.158,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 168,-.
De uitspraak is gedaan in het openbaar op 31 januari 2018 door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.