ECLI:NL:RBDHA:2023:5276

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 april 2023
Publicatiedatum
14 april 2023
Zaaknummer
NL23.7288
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 1 lid 4 Algemene wet op het binnentredenArt. 2 lid 1 Algemene wet op het binnentredenBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring en onrechtmatig binnentreden

Eiseres, van Angolese nationaliteit, werd op 9 maart 2023 onderworpen aan een maatregel van bewaring door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De maatregel werd op 15 maart 2023 opgeheven. Eiseres stelde dat het binnentreden in haar woning onrechtmatig was omdat er geen toestemming was gegeven en geen machtiging was getoond.

De rechtbank oordeelde dat uit het proces-verbaal niet bleek dat vooraf toestemming was gevraagd of dat een machtiging was getoond. Ook waren er geen aanwijzingen dat eiseres of haar neef toestemming hadden gegeven. Dit maakte het binnentreden onrechtmatig. Hierdoor was de maatregel van bewaring vanaf het moment van opleggen onrechtmatig.

De rechtbank achtte een belangenafweging niet meer aan de orde vanwege de ernst van de inbreuk op het privéleven. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en een schadevergoeding van €700 toegekend voor zeven dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.674 aan de rechtsbijstandverlener van eiseres.

Het hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking van deze uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent een schadevergoeding van €700 toe wegens onrechtmatige bewaring en veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.7288
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 15 maart 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2023 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Angolese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1961.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiseres voert aan dat verweerder de woning van eiseres onrechtmatig is binnengetreden. Eiseres heeft geen toestemming gegeven voor het binnentreden en er is ook geen machtiging tot binnentreden getoond.
4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de houding van eiseres mocht worden afgeleid dat er toestemming is gegeven voor het binnentreden.
5. In de artikelen 1, vierde lid, en artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden is – zakelijk weergegeven – bepaald dat de persoon die met toestemming van de bewoner wenst binnen te treden, voorafgaand vraagt om toestemming hiervoor. Deze toestemming moet blijken aan degene die wenst binnen te treden. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is een schriftelijke machtiging vereist.
6. In het proces-verbaal staandehouding/overbrenging/ophouding van 9 maart 2023 is – zakelijk weergegeven – vermeld dat de verbalisanten op de toegangsdeur klopten van de kamer waarin, naar later bleek, eiseres zich bevond en luid “politie” riepen. Vervolgens werd de deur geopend door een persoon, die verbalisanten als de neef van eiseres herkenden. Verbalisanten hebben zich daarop gelegitimeerd en het doel van hun komst meegedeeld en naar de personalia van eiseres gevraagd.
7. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit dit proces-verbaal niet dat verbalisanten voorafgaand aan het binnentreden om toestemming hiervoor hebben gevraagd. Evenmin blijkt uit dit proces-verbaal dat voorafgaand aan het binnentreden een machtiging is getoond. Ook blijkt niet uit dit proces-verbaal dat eiseres of haar bij haar wonende neef, zoals verweerder ter zitting heeft verklaard, gebaren hebben gemaakt waaruit verbalisanten mochten afleiden dat eiseres of haar neef toestemming heeft gegeven om binnen te treden. Dit maakt het binnentreden onrechtmatig.
8. De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag welke gevolgen dit gebrek in het voortraject dient te hebben voor de daarop volgende maatregel. De rechtbank overweegt dat een inbreuk op het privéleven van eiseres door een onrechtmatige binnentreding in de woning een zodanig ernstig gebrek oplevert, dat voor een belangenafweging geen plaats meer is. Dit betekent dat de maatregel vanaf het moment van de oplegging ervan onrechtmatig is. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.
9. Gelet hierop kunnen de overige beroepsgronden onbesproken blijven.
10. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 7 dagen onrechtmatige vrijheidsontnemende maatregel van 7 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 700,-.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 700,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 april 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.